DE FOUTE VRIENDEN VAN SINTERKLAAS

krampusprimary

‘Ik wil dat je je gedraagt’, zegt de sinterklaas van dienst tegen Tobias. ‘Of wil je een pak rammel van Krampus?’ De blonde Tobias, we schatten hem negen jaar, staat er als bevroren bij. Maar als Krampus, de gehoornde gezel van de Sint, op hem afspringt en hem grommend aanport met een gesel, gilt Tobias het uit.

YouTube is een zegen voor wie wil binnenkijken in andermans huiskamer. In de Alpen vieren ze Sinterklaas anders dan bij ons, en dit is maar een van de vele varianten. Dagelijks komen er filmpjes bij van Krampuslopen in Oostenrijkse en Beierse dorpen. Groepen van mannen gehuld in harige kostuums en houten gruwelmaskers waren er met vlammende toortsen door de straten. Hun ogen geven licht, ze grunten dat het een aard heeft en jagen de gibberende omstanders de schrik op het lijf. Een heavymetalsong als soundtrack zorgt voor dat tikkeltje extra drama.

Bij ons mag Sinterklaas dan een lobbyist van speelgoedfabrikanten zijn, dat was niet altijd het geval, en zeker niet overal. Wie kent de rol nog van Sinterklaas als vruchtbaarheidsheilige? Wie weet dat de Hollandse ‘pepernoten’ eigenlijk een ander woord zijn voor ‘penis’? En wat heeft de duivel daarmee te maken? In het Nederlandse taalgebied mag het Sinterklaasfeest dan verbleekt zijn tot een flauwe Disneyversie, elders in Europa wijzen veel folkloristische winterfeesten in één en dezelfde richting: die van seks, het ontwaken van aarde, en het wensen van een goede oogst of worp.

Dat wordt duidelijk in de documentaire Wild Geraas van de Nederlandse journalist en theatermaker Arnold-Jan Scheer. Meer dan dertig jaar lang trok hij tijdens de eerste week van december naar andere oorden om te zien hoe anderen dit feest vieren. Zijn bevindingen verschenen eerder in het boek Zwarte Klazen , nu is er dus ook een film. Scheer introduceert er de Zwitsere Schmutzli, het zwarte spiegelbeeld van Sinterklaas of de Kerstman. Grote cadeaus komen er bij een bezoek van dit duo niet kijken: kinderen krijgen noten en vruchten. In Lotharingen schudde Scheer de hand van Père Fouettard, letterlijk ‘Vader Zweep’: een vervaarlijk uitziende figuur met rosse baard en zwartgemaakt gezicht, die wegrent met kinderen onder de arm.

Niet alleen kinderen moeten eraan geloven. Ook volwassenen zijn niet altijd veilig als de Sint elders op ronde is. Zowel op het Nederlandse Waddeneiland Terschelling als op het Duitse Waddeneiland Borkum moeten vrouwen bijvoorbeeld aan de vooravond van 6 december binnenblijven. Dan trekken de Sunderum en de Klaasohms door de straten, een woeste bende van in monsters verklede mannen. Krijgen ze een vrouw te pakken, dan binden ze haar vast, of slaat de Sint haar met een koehoorn op de billen. In Matrei, een dorp in Oost-Tirol, eindigt de drienachtelijke Klaubaufläufe met vechtpartijen tussen als duivels verklede jongemannen en het publiek. De Klaubaufen zijn in trance, de ambulances staan klaar, en de Sint, die wij kennen als moralist, is de ergste van allemaal: hij voert de horde uitgelaten monsters aan.

De Klaubaufen zijn in trance, de ambulances staan klaar, en de Sint, die wij kennen als moralist, is de ergste van allemaal: hij voert de horde uitgelaten monsters aan

Krampus, half monster, half geit, is even vitaal als de Oostenrijkse mannen die in zijn huid kruipen. De demon beleeft sinds een paar decennia niet alleen een revival, hij migreert ook. In de Verenigde Staten verovert hij stilaan een plekje in de populaire cultuur, als de duistere kompaan van Santa Claus. Maar ook in België en Nederland zijn er mensen die Krampus willen betrekken bij de midwintervieringen.

De Krampus-traditie bestond al tijdens het Habsburgse Rijk (16e tot 19e eeuw), dat grote delen van het huidige Duitsland, Oostenrijk en Slovenië overlapte. Hoewel men geen harde bewijzen heeft van het ‘bestaan’ van Krampus voor die periode, zijn er documenten die erop wijzen dat er in die tijd maskerades met duivelshoorns bestonden. Die zouden door de Inquisitie in onbruik zijn geraakt (die regels zijn wel teruggevonden): wie zich als duivel durfde te verkleden, riskeerde de doodstraf. Ondanks die rigide maatregelen om alles wat naar prechristelijke tijden verwees uit te roken, bleef Krampus bestaan. Hij dook onder in minder toegankelijke gebieden van de regio, waar de traditie bewaard bleef. Tot op vandaag verschijnt het duivelse personage op winterzonnewendefeesten in Oostenrijk, Hongarije, Slovenië, Kroatië, Italië en Tsjechië. Vaak vergezelt hij in een stoet een heilige met een lange baard, een mijter en een staf, en draaft hij op om stoute kinderen bang te maken.

Die combinatie van Sint en duivel is niet eens zo vreemd. In een niet zo ver verleden vormden ze ook in onze contreien een duo. Ze staan niet voor niets op de cover van het net verschenen boek 1000 jaar Sinterklaas van de Nederlandse auteur Peter van Trigt. De missing link zou het feest van de scholierenbisschop kunnen zijn, in onze streken een bekend fenomeen dat even ver teruggaat als de Krampus. Tijdens dat evenement, dat al in de dertiende eeuw opdook, mochten de kloosterleerlingen voor één dag hun eigen leider kiezen. Zelfs de volwassen geestelijken moesten buigen voor de scholierenbisschop. Lang werd dat feest gevierd op 28 december. Maar ook onder de volwassen geestelijken vierde men een dergelijk omkeerfeest, de zogenaamde narren- of ezelsfeesten. Die vonden een paar dagen eerder plaats, en waren doordrongen van tegendraadsheid en carnavalesk gedrag. Net zoals bij de omkeerfeesten elders op de wereld golden de strenge gemeenschapsregels die dag niet. Zulke tradities dienden als uitlaatklep waarbij mensen de teugels mochten vieren en figuurlijk het beest mochten uithangen. Het was een kwestie van tijd voordat men dat ook letterlijk zou doen.

Die combinatie van Sint en duivel is niet eens zo vreemd. In een niet zo ver verleden vormden ze ook in onze contreien een duo

Van Trigt vertelt in het boek hoe het feest van de scholierenbisschop en de narrenfeesten – die soms danig uit de hand liepen – te veel door elkaar liepen. Daarop besliste de clerus in het jaar 1300 om het kinderfeest naar 6 december te verplaatsen: dezelfde dag dat kinderen de mirakelspelen van Sint-Nicolaas, hun patroonheilige, opvoerden. De twee feesten versmolten. Maar hoe vroom de bedoelingen ook waren, de optochten die de kloosterjongeren hielden kregen al snel weer een baldadig kantje. Het gevolg van de kinderbisschop verkleedde zich voor de optocht, en daarbij bleek de duivel een populair personage. Pas in de zestiende eeuw wist men het duivelse uit de traditie te bannen, transformeerde de duistere vermomming in een narrenpak, en veranderde de optocht in een soort ophaling van bijdragen. Toen ook volkskinderen aan optochten gingen doen en verkleedpartijen begonnen te houden, viel in onze streken het doek over het feest van de kinderbisschop. En daarmee meteen ook over de duistere kant van het Sinterklaasfeest.

Maar zoals dat gaat bij de onderdrukking van volkse gebruiken: de belangrijke elementen duiken vroeg of laat weer op, al dan niet in gemuteerde vorm. Vruchtbaarheid blijkt zo’n onuitroeibaar thema. De Alpen herbergen bijvoorbeeld nog andere, oudere figuren die tot de verbeelding spreken. In sommige streken zijn het de Perchten die tijdens midwinter de straten onveilig maken. Ze zien er even afzichtelijk uit als Krampus, maar ze lopen niet achter Sinterklaas aan. Zij begeleiden Frau Percht, een vrouwelijk personage uit de Germaanse en Slavische mythologie dat vlijt beloont en luiheid afstraft. De Perchtenloop vindt later in december plaats, tijdens de Joeltijd of de twaalf dagen tussen Kerstmis en Driekoningen. Hun enge verschijning moet de boze geesten afschrikken, met hun stokken slaan ze de aarde wakker: zijn dat geen echo’s uit lang vervlogen tijden waarin de mens vruchtbaarheidsriten hield om de natuur gunstig te stemmen? De overlevering wil dat de vrouwen op het Duitse Waddeneiland Borkum die op 5 december billenkoek kregen van hun vermomde dorpsgenoten, het jaar erna een baby op de arm hebben. In Oostenrijk circuleert Krampus trouwens niet alleen als kastijder van stoute kinderen, maar ook als erotische duivel die de begeerte aanwakkert.

In Oostenrijk circuleert Krampus trouwens niet alleen als kastijder van stoute kinderen, maar ook als erotische duivel die de begeerte aanwakkert

Hoe komt het dat die figuren blijven bestaan? Worden ze krampachtig in leven gehouden door mensen die zich verzetten tegen de moderniteit en de vooruitgang? Paradoxaal genoeg is het net diezelfde vooruitgang die hen opnieuw op de kaart zet. Krampus leer je nu kennen via filmpjes die op de sociale media circuleren. Maar ook kunstenaars zijn gefascineerd door deze wezens. In hun boeken Wilder Mann en Dusk tonen de Franse fotograaf Charles Fréger en zijn Duitse collega Axel Hoedt de Europese folkoristische maskerades in al hun glorie. Hun foto’s lijken die figuren nieuw leven in te blazen. Zoals die Krampussen, Strohmannen en Perchten geportretteerd worden, alleen in een ongerept sneeuwlandschap, lijken ze zo ver weg van ons zoetgevooisde kinderfeest. Het zijn subversieve en angstwekkende figuren, geen pamperaars. Kijk je naar Krampus en zijn uitgebreide familie, dan zie je dat die intussen goedmoedige en een beetje gekke Zwarte Piet niet de maatstaf is van de winterfeesten, maar de aberratie.

‘Hoewel veel van deze maskerades nog bestaan, is hun doel entertainment. Het symbolische van de daad is vergeten’, noteerde Charles Fréger in Wilder Mann . ‘Er is geen “geloof”, hoogstens “illusie”.’ Maar illusie is goed genoeg voor de fans van Krampus. In de VS kent hij, dankzij een gelijknamige griezelfilm, een revival als kerstduivel. In Rotterdam zullen tijdens de nacht van 3 december Krampussen door de straten rennen. In België viert Mechelaar Erwin Horckmans al twintig jaar midwinter. Ook op 10 december zal Krampus er van de partij zijn.

‘Krampus brengt ons terug bij de kern van de zaak‘, zegt Horckmans. Hij werkt als ambassadeur voor Greenpeace, maar gidst ook historische wandelingen in zijn thuisstad Mechelen. ‘De kern van de zaak’ is volgens Horckmans de maskerade. ‘Maskers dragen en zich verkleden in een ander is van alle tijden en van alle culturen.’ Horckmans importeerde Krampus twintig jaar geleden. ‘Als kind was ik al gefascineerd door mythologie. Toen ik op mijn zeventiende meer leerde over de Native Americans en hun rituelen werd ik nieuwsgierig naar de Europese tradities. Zo ontdekte ik Krampus, Perchten en andere Europese winterrituelen. Bij ons zijn die figuren verdwenen. Ik wilde ze terugbrengen, dus maakte ik zelf een pak en een masker. Mijn eerste masker was in papier-maché. Intussen gebruikt mijn zoon dat, en heb ik er een in hout. Het werd gemaakt door een houtsnijder die zijn stiel in de Alpen had geleerd. Hij keek niet vreemd op toen ik hem vertelde wat ik wilde, hij kent Krampus. Wereldwijd vind je tradities en maskerades die op Krampus lijken. Als ik mijn pak zou aantrekken bij de Canadese Kwakwaka’wakw, dan zou men meteen begrijpen waar het over gaat.’

Het vergeten van de duistere kant van deze feesten is exemplarisch voor hoe we losgesneden zijn van de natuur en onze afkomst. ‘Ons pact met de dieren is verbroken’

Krampus mag dan klaar zijn voor Vlaanderen, maar is Vlaanderen klaar voor Krampus? Half november waren de Mechelse Krampussen uitgenodigd om mee te lopen in de Bietenstoet in het West-Vlaamse Ichtegem. Dat verhaal ging uiteindelijk niet door omdat men bang was dat mensen angstig zouden worden. Angst voor de angst: ook Arnold-Jan Scheer is ervan overtuigd dat het vergeten van de duistere kant van deze feesten exemplarisch is voor hoe we losgesneden zijn van de natuur en onze afkomst. ‘Ons pact met de dieren is verbroken’, zegt hij daarover in Wild Geraas. Angst en onvoorspelbaarheid horen bij het leven, alleen willen we dat niet meer weten.

Ook Horckmans heeft weinig met de brave en commerciële kant van de winterfeesten zoals we ze nu vieren. Voor hem mag het weer wat ongetemder. De roe, de zak, de kleur van de Piet: hoe meer elementen er worden weggefilterd en gecensureerd, hoe schraler de folkloristische verhalen hun wilde en aantrekkelijke karakter verliezen. Mensen voelen dat het niet meer klopt, zegt hij. Daarom organiseert hij jaarlijks een publieke Joelviering, waarbij hij mensen uitnodigt rond een groot vreugdevuur. De Opperkrampus en zijn acht of negen trawanten zullen er ook zijn, zonder Sinterklaas maar in vol ornaat. ‘Dat is altijd een bijzonder moment’, zegt Horckmans. ‘De hele dag ben ik in de weer met het voorbereiden van het vuur. Daarna sluip ik weg om mijn pak aan te trekken en dat masker op te zetten. Dan ben ik even niet meer Erwin. Je doet dingen die je niet zou doen zonder masker op. Ik grom in het dagelijkse leven niet tegen mensen, vraag hen niet of ze braaf zijn geweest, por hen niet met een stok. Ik geniet van het ritueel, van even iets anders te kunnen zijn.’

Intussen staat de bestraffende Krampus ook in Oostenrijk ter discussie. Men vindt hem kindonvriendelijk. ‘Daartegenover staat dat de winterfeesten er een feest zijn voor kinderen én volwassenen’, countert Horckmans. ‘Wij maken geen kinderen bang, we zitten liever achter hun ouders aan. En de kinderen die meekomen naar zo’n Joelviering vinden het erg spannend. Ze plakken aan me, willen allemaal op de foto met Krampus.’

Als hij in de Pietenkwestie mocht kiezen, dan koos Horckmans voor een dubbelzinniger figuur dan de brave Piet die we nu hebben. ‘Het kleurrijke pakje, het kroeshaar, de oorringen en de rode lippen mogen gaan, maar de Piet moet pekzwart blijven. Zonder zwart is er geen maskerade. En dat is net waar het allemaal om draait.’

Info: Peter van Trigt, 1000 jaar Sinterklaas, LM Publishers, 224 blz., €24,50

Dit artikel verscheen op 30 november 2016 in Knack.