EN ZE LEEFDEN NOG BANG EN GELUKKIG: over het belang van donkere sprookjes

Illustraties Arthur Rackham, uit The Fairy Tales of the Brothers Grimm (1909). Bron: Archive.org

Waar is de tijd dat kinderen én volwassenen elkaar nog ongecensureerd de stuipen op het lijf joegen met gruwelvertellingen over demonen en andere duistere wezens? Is er nog plaats voor het wilde, het irrationele, het beangstigende in onze maatschappij?

 

Verhoogde hartslag. Verscherpte zintuigen. De verbeelding die met een duizelingwekkende vaart op hol slaat. Het zijn spannende tijden voor mijn dochter van vijf. Ze zet haar mooiste schoen, vult die met wortels en rapen, draagt water aan voor het paard. Horen we daar iets op het dak?

Ook ik geniet van het sinterklaasfeest. Er hangt magie in huis. Dit voelt niet als liegen. Op een dag zal mijn dochter leren dat de sint een denkbeeldig wezen is. Dat we die magie zelf creëren. Het sinterklaasfeest, en het naderhand ontdekken van de ware toedracht achter de speculoos, de marsepein en de geschenken, is een van de weinige rites de passage die ons nog resten.

Al staat het feest onder druk. Elk jaar gaan er stemmen op die het willen afschaffen. “Een streep trekken door die oude mythes en verhalen zou doodzonde zijn”, beaamt de Amerikaanse schrijfster Jenny Offill. We drinken koffie in Albany, upstate New York. Hebben het over de kracht van verbeelding, de noodzaak van betovering. “Wat als die rituelen verdwijnen? Waar vervang je ze door? Het hele idee dat we kinderen niets mogen wijsmaken, is vooral een uiting van de mentaliteit dat mensen voortdurend productief en efficiënt moeten zijn.”

Grimm De zeven raven
Illustratie Arthur Rackham, uit The Fairy Tales of the Brothers Grimm (1909). Bron: Archive.org

Grimm-laagje

Er was een tijd dat de verhalen die ons sinds het begin van de mensheid vergezellen, werden getemd door de gezanten van een eenzelvige en straffende god. Was het niet de dominante religie, dan wel de post-verlichting die dit soort irrationele feesten het liefst ontdaan ziet van de non-logica. Daarna schoven wetenschap en ratio het occulte en het mysterieuze aan de kant. En waar het onverklaarbare niet verklaarbaar kon worden gemaakt, kneedde men het tot iets verteerbaars. Nog liever commercieel dan ritueel.

Met hun censuur dienden volkskundigen zoals de gebroeders Grimm een suikerlaag burgerlijke familiewaarden en meteen ook de fatale nekslag toe aan de wilde sprookjes. Zo verloren de verhalen die mensen elkaar tijdens de lange winternachten vertelden hun onrustwekkende en beangstigende plotwendingen. De narratieve verbeelding werd het terrein van religieuze fanaten, nerds, waanzinnigen en kunstenaars.

Maar is de menselijke geest ook niet op zoek naar het ongrijpbare, het onverklaarbare, het ongetemde, het wilde? Zou het kunnen dat we, los van eender welke traditie en religie, diep vanbinnen nog steeds behoefte hebben aan transcendente ervaringen?

”We verlangen ernaar het contact met het oeroude instinct te herstellen”, noteerde de Ierse auteur Robert McLiam Wilson in het inleidende essay van het fotoboek Wilder Mann van de Franse fotograaf Charles Fréger. Fréger houdt zich al jaren bezig met het portretteren van folkloristische maskerades overal ter wereld: van Krampus, de gehoornde duivelse begeleider van Sinterklaas in Oostenrijk, en Beermannen in Griekenland en Frankrijk, tot wandelende hooibalen in Duitsland en yetiachtige figuren in Bulgarije.

Culturen mogen dan van elkaar verschillen, de gemaskerde hybrides uit de folkloristische verbeelding spreken een universele taal. In zijn vervolgboek Yokainoshima gaat de fotograaf nog een stap verder. Hij verlaat het documentaire pad en brengt de Japanse mythische folklorefiguren samen op een imaginair eiland (zie de cover van deze bijlage). De beelden betoveren. Er schuilt een soort rustgevende vanzelfsprekendheid in.

De nekslag was dan toch niet fataal. Ondanks alle spitstechnologie en gelikt design is er nog steeds een tussenwereld waar verbeelding ongeremd mag zijn.

Volgens McLiam Wilson is de moderne wereld een soort van vergif geworden, en is het woeste verlangen om even dat andere, dat vorige, dat onvatbare te zijn, de tegenbeweging. ‘We willen terug naar een niet-mechanische toestand’, schrijft hij. Of een niet-kapitalistische. ‘We dromen van iets echts, iets dat onaangeraakt bleef door de drang naar profijt.’ In dat verlangen verschuilt de dagelijkse verbeelding zich. ‘Aan de rand van de realiteit voel je je weer opleven.’

Geestelijk voedsel

Industrieel voedsel is niet goed voor ons, dat weten we intussen. Maar wat met het geestelijke voedsel? Veel van de verhalen die we opgelepeld krijgen, zijn industrieel en generisch: Disney, Hollywood, Studio 100. Zelfs Zwarte Piet, of Roetpiet, is (sorry, Hugo Matthysen) een suikerzoete speelgoedversie van zijn Europese, veel oudere verwanten. Père Fouetard (vadertje Zweep), Krampus, Knecht Ruprecht of Schmützli zijn duistere figuren, wezens met weerhaken. Ze dienen niet om de kindjes blij te maken. Hun functie is verontrusten en subversief zijn. De boel op zijn kop zetten, want dan gebeuren er dingen. Magie begint waar de comfortzone eindigt, wil het citaat. Het is platgekauwd, maar er schuilt een grond van waarheid in.

”Het is in die tussenwereld van de verbeelding dat we elkaar vinden”, stelt Jenny Offill. Haar tweede roman, Verbroken beloftes, verscheen in 2014, maar Offills debuutroman, De laatste dingen, werd pas onlangs vertaald. Hoewel het boek jaren geleden werd geschreven, lijkt De laatste dingen een antwoord op die toenemende behoefte aan ongefilterde wildheid en poëtische weerhaken.

De verteller is Grace, een meisje van acht dat de antwoorden op haar vragen zoekt in occulte encyclopedieën. Anna is de avontuurlijke en creatieve moeder die haar dochter het ene verhaal na het andere opdist. ‘Hoe kun je een nachtmerrie wegjagen? Door het Onze Vader achterstevoren op te zeggen.’ Als Grace op school dreigt te ontsporen, houdt Anna haar thuis. In een zwartgeschilderde kamer onderwijst ze haar over het ontstaan van het universum.

Anna is ornitholoog en leert Grace over de kosmos, de vogels en de wetten van de fysica. Maar wetenschap en mythe lopen al snel door elkaar. Anna neemt haar mee op nachtelijke tochtjes naar het meer, waar ze zoeken naar het voorhistorische monster dat er woont. En ze probeert Grace te leren vliegen door haar van de bovenste trede van de trap naar beneden te doen springen.

Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal accepteert Grace wat haar wordt voorgeschoteld. En het duurt ook even voor je je als lezer afvraagt: is deze vrouw poëtisch aangelegd of danig gestoord? De vader van Grace, die wetenschapper is, heeft bezwaar tegen de blaasjes die zijn vrouw hun kind wijsmaakt. Zijn verweer is evenwel een zwaktebod: hij gaat voor een wetenschappelijk televisieprogramma werken en verhuist naar de stad.

Anna neemt wraak en vertrekt met Grace op een road trip die hen langs New Orleans en het festival Burning Man in de Nevada-woestijn voert. Pas als Grace zich realiseert dat ze blut zijn, roept ze de hulp van haar vader in. Hij komt hen halen, maar nog voor Anna kan worden opgenomen, verdwijnt ze opnieuw. Het meisje, te jong om te begrijpen wat er is gebeurd, probeert de punten met elkaar te verbinden en concludeert dat haar moeder is teruggekeerd in de vorm van een hond. Is Grace in staat klaarheid te scheppen tussen de wanen van haar moeder, haar eigen fantasie en de realiteit, of zal ook zij in de afgrond kantelen?

Sjamaan

Offill ontziet niemand, maar ontegensprekelijk is de sfeer in het boek poëtisch en sprookjesachtig. Er schuilt veel esthetiek in het magische denken van Anna. Bij momenten lijkt ze als een sjamaan die in trance één wordt met de kosmos. ‘Wat mij interesseert is de spiraal van de ontwrichting’, zegt ze.

Ook Grace is niet het typische kind. Ze gaat genadeloos haar gang. Liegt, steelt, sluit het blinde buurmeisje op in het hondenhok omdat ze gelooft dat ze er genezen uit zal komen. De waanzinnige moeder en de dochter met de verontrustende fascinaties blijken een perfect stel.

”Kinderen hebben een dierlijke kant”, aldus Offill. Ze is er niet voor om die kant snel te ‘temmen’. “Ik groeide op in de jaren 70. Toen waren ouders niet zo bezig met hun kinderen als nu. Voor kinderen kan dat best bevrijdend zijn. Je speelde buiten met je vrienden en je maakte dat je voor etenstijd weer thuis was. Soms verveelden we ons, maar ook dat bleek een rijkdom te zijn voor de verbeelding. Zo geloofde ik dat er elfjes in het bos woonden. We maakten kleine huisjes en zetten thee voor hen.

”Die imaginaire wereld is overigens maar een zucht verwijderd van de materiële wereld. Iedereen bouwt met de informatie die hij heeft droomachtige verhalen. Die ogenschijnlijk futiele momenten waarop je dagdroomt, tegen jezelf staat te praten en je glorieus voelt? Of een hele onderneming die lijkt te stollen in één scène, die hoe banaal ook iets subliems en mystieks heeft? Schrijvers en kunstenaars stappen voortdurend in en uit die verbeelding. Misschien moet iedereen dat vaker doen.”

Moet het nog gezegd worden dat Jenny Offill beïnvloed werd door sprookjes? “Als kind verslond ik The Violet Fairy Book, The Yellow Fairy Book, The Blue Fairy Book… Dat zijn compilaties van sprookjes uit alle hoeken van de wereld. In tegenstelling tot de Amerikaanse sprookjes waren die verhalen donker en wreed. Kinderen werden achtergelaten in het woud, iemand zei iets en zijn voeten werden afgehakt. Soms eindigden die sprookjes gruwelijk en abrupt. ‘En ze stierf. Punt.’

”Ik geloof dat donkere sprookjes belangrijk zijn in de opvoeding van kinderen. Kinderen zijn niet dom. Ze voelen heel snel dat er iets aan de hand is, ook al kunnen ze de enge dingen nog niet benoemen. Als je hen een kader geeft met een begin en een einde, maak je de horror behapbaar. Vandaar ook mijn fascinatie voor ‘the unhinged narrator’, de ontwrichte verteller. Het emotionele traject van iemand die een grens oversteekt, in de diepte springt, de afgrond ingaat. Ik heb niets met soelaas. Ook verval kan een plot zijn.”

Leven in het moment

Voor een psychose kiest niemand, maar onze materiële wereld kan ook op andere manieren uit zijn hengsels gelicht worden. Wat klinkt meer ontwricht dan je menselijkheid afleggen en iets anders worden? Een dier, bijvoorbeeld? Dit jaar verschenen twee non-fictiewerken van auteurs die net dat bevreemdende idee hebben uitgetest.

Aan de ene kant is er Goatman van de Amerikaanse auteur Thomas Thwaites. Het andere boek, Being a Beast van de Brit Charles Foster, verscheen een paar maanden daarvoor al. De ene dompelde zich drie dagen als geit onder in een kudde geiten, de andere kroop in de huid van vijf in het wild levende diersoorten: een das, een zwaluw, een hert, een otter en een stadsvos, ‘omdat ik wilde weten hoe het voelt om een wild dier te zijn’.

De heren gingen niet over één nacht ijs. De geitenman liet protheses maken om op vier poten te kunnen lopen, en een externe maag met enzymen die gras verteren. Hij consulteerde neuro-wetenschappers, een herder, gedragswetenschappers en een Deense sjamaan. Thwaites wilde vooral ontsnappen aan de angst voor het mens zijn. Hij wilde een simpeler leven, en kreeg het: ‘Geiten leven in het moment’, tekende hij op. ‘Er is geen gisteren of morgen, enkel vandaag.’ Is geit zijn de nieuwe mindfulness?

A la limite onderzoekt hij hoe je met hedendaagse technologie een eeuwenoude mensendroom kunt vervullen, met name eigenschappen overnemen van een (ander) dier. Als je het nabootsen van een dier als een soort vermomming wilt zien – sommige geiten werden vriendjes met de auteur – dan lijkt dit op een onverwachte maar niet minder inspirerende versie van de mens als hybride fabelwezen.

Charles Foster had minder hulpmiddelen. Als das woonde hij met zijn achtjarige zoon in een dassenburcht en at hij regenwormen. ‘De truc is ervoor zorgen de worm, die zo snel mogelijk de uitgang zoekt eens hij in je mond zit, grondig te vermalen’, schrijft hij droog op. De zoon bleek een betere das dan de vader. Hij zette zijn zintuigen automatisch in, gebruikte zijn neus, ging al snuffelend op pad.

Als stadsvos – zijn favoriet – sliep Foster in parken, neusde hij in vuilnisbakken en ontmoette hij andere vossen, die hem nieuwsgierig aanstaarden. Als hert en zwaluw faalde hij compleet, en als otter in een wetsuit stelde hij vast dat de wetsuit ‘een condoom is dat voorkomt dat je verbeelding wordt bevrucht door de bergrivier’.

Tot transcendente inzichten kwam het niet, of toch niet op het moment zelf. Zowel het venijn als de wijsheid zat in de naschok. Toen de tijdelijke das weer in de bewoonde wereld was, moest hij vaststellen dat er meer afwisseling zat in de bladeren van de boom naast zijn burcht dan in de hele stad.

Foster werd misselijk van de verveling, de stank, de plafonds. Hij was wel degelijk een beetje das geworden. Als zwaluw onthield hij dit: verwondering komt voort uit aandacht voor het detail. ‘Wie blind is voor de fluwelen beweging van de pootjes van een rups en doof voor de grom van de krokus als die zich door de aarde boort, is niet in staat om die aarde te aanbidden.’

Gekkenwerk

Totaal geschift. Extreem. En een subliem staaltje van verbeeldingskracht. Beide auteurs stapten in een andere wereld, die niet zo ver af ligt van de sjamanistische tradities waarbij shapeshifters dierengeesten oproepen door hen te imiteren, tot ze daadwerkelijk transformeren.

Foster benoemt het fenomeen zelfs met zoveel woorden, al blijft hij ver weg van de hedendaagse nep-sjamanen, hun tipi’s en hun chanting. De menselijke huid afwerpen vraagt een bovenmenselijke inspanning, één die bovendien gedoemd is tot mislukken. Van extase is geen sprake. Van gesukkel des te meer.

Maar hoe aards hun pogingen ook zijn, toch sluiten deze onderzoekers perfect aan bij wat bijna inherent is aan een spirituele of zelfs folkloristische traditie. Door letterlijk het beest uit te hangen en je tot het dierenrijk te bekeren, verstoor je de orde en ontdoe je je van de toxines van een leven dat niet natuurlijk is. Of zoals Foster concludeert: ‘Om een complete mens te zijn, moeten we compleet beest kunnen zijn.’

Dit essay verscheen op 30 november 2016 in de boekenbijlage van De Morgen. 

INFO De laatste dingen van Jenny Offill verscheen bij De Geus – Leven als een beest van Charles Foster verscheen bij Signatuur – Goat Man van Thomas Thwaites verscheen bij Princeton Architectural Press.

 

 

BewarenBewaren