DE MOTOR ACHTER LOSSE HANDJES, MISOGYNIE EN TRUMP: TOXIC MASCULINITY

Wat hebben internettrollen, terroristen, aanranders en types met losse handjes met elkaar gemeen? Niet dat ze domweg gestoord zijn. Nee, het zijn doorgaans mannen, en ze gebruiken geweld om zich te laten gelden. De ziekte heet ‘toxische mannelijkheid’. De symptomen zijn domineren door agressie en angst te zaaien. De oorzaak: een hypermannelijk ideaalbeeld.

Toxic masculinity is een destructieve vorm van mannelijkheid die niet alleen vrouwen maar ook mannen beschadigt

Geweld is overal, in allerlei vormen, en het blijkt een mannenzaak. Schietpartijen, oorlogsdaden, terroristische aanslagen en seksueel misbruik worden overwegend door mannen gepleegd. Maar naast het bloedige geweld waar iedereen oog voor heeft, is er ook een moeilijker te detecteren soort. Hoorden we in de gelekte tapes van Donald Trump nu een grap, of was het een vorm van geweld? Wat te denken van de ‘bangalijst‘ – een expliciete ‘slettenlijst’ mét quotering en telefoonnummers van studentes – van de Nederlandse studentenvereniging Vindicat? Of van de stroom van haatberichten waar de sociale media van overlopen? Volgens genderexperts zijn ook dat manifestaties van toxic masculinity of giftige mannelijkheid.

Toxic masculinity blijkt geen zeldzaam fenomeen. Het manifesteert zich door dominant gedrag in allerlei vormen, maar de kern is dat iemand macht verwerft door angst te zaaien. Die houding treft allerlei groepen: vrouwen, holebi’s, gekleurde medemensen. Het is een van de motoren achter racisme, seksisme en homofobie.

Voordat u denkt dat we hier mannen willen bashen: de cijfers bevestigen het treurige beeld. Mannen hebben een probleem. In de VS wordt 90 procent van de moorden gepleegd door mannen. Mannen zijn er verantwoordelijk voor 99 procent van het seksueel geweld en 95 procent van het huiselijk geweld. Hoewel er af en toe een vrouw het wapen hanteert bij een schietpartij, zijn de meeste daders van mass shootings mannen. In België ziet het er niet zo veel beter uit. Volgens de recentste rapporten van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM) is bijna driekwart van de plegers van partnergeweld een man. Uit een enquête van het Bureau van de Europese Unie voor de Grondrechten zijn mannen verantwoordelijk voor 67 procent van het fysiek geweld op vrouwen, en 97 procent van het seksueel geweld op vrouwen.De realiteit is dus dat de grote gemene deler van geweld, waar ook ter wereld, mannelijk is. Of preciezer: een destructieve vorm van mannelijkheid die niet alleen vrouwen maar ook mannen beschadigt. Uit een studie van het IGVM naar ervaringen met geweld in België werd duidelijk dat 50,7 procent van de ondervraagde mannen boven de 18 jaar in aanraking kwam met geweld, tegenover 44,9 procent van de vrouwen.

Hoewel het bij mannen vaker bij verbaal geweld blijft, krijgen ze ook meer dan vrouwen te maken met fysieke agressie, bedreiging met een wapen of poging tot moord. Ook als je verbaal geweld buiten beschouwing laat, is de verhouding nog altijd in het nadeel van de mannen: 33 procent van slachtoffers van fysiek geweld zijn mannen, tegenover 28,9 procent vrouwen. Vooral mannen tussen de 20 en de 49 jaar krijgen slaag, en hoger opgeleide mannen blijken het grootste slachtoffer. Dat wereldwijd vooral jonge mannen als kanonnenvlees worden ingezet bij gewapende conflicten, verstevigt de stelling dat mannen niet alleen veel problemen veroorzaken, maar er ook zelf het meest onder lijden. Uitwendig maar ook inwendig. Excuses zoals ‘boys will be boys’ houden het beeld van de man als (seksueel) roofdier in stand. Door mannen een beperkte psychologie toe te kennen en te volharden in de gedachte dat ze worden gestuurd door hun hormonen en hun genen, negeert men het feit dat mannen ook maar mensen zijn.

Van toxische mannelijkheid heeft BBC-reporter Tim Samuels nog niet gehoord, maar het patroon is de auteur van het pas verschenen boek Waar is mijn speer niet onbekend. In zijn boek zoekt Samuels naar wat ‘goede mannelijkheid’ kan inhouden. ‘Toxic masculinity lijkt op wat ik negatieve mannelijkheid noem’, vertelt Samuels. ‘Negatieve mannelijkheid uit zich in zelfdestructief gedrag, of het keert zich tegen iedereen die men als een concurrent ervaart.’

Het mandom verkeert in crisis, schrijft u. Veel mannen zijn de pedalen kwijt. Wat is het probleem precies?

TIM SAMUELS: Drie generaties geleden was mannelijkheid nog strikt afgebakend, maar tegenwoordig is het concept op drift. De kernwaarden die van een man vroeger een man maakten – zijn heldhaftigheid, zijn daadkracht in conflicten, zijn koppige individualisme – worden vandaag steeds bedenkelijker. Mannen hebben het moeilijk om de juiste dosis mannelijkheid te vinden.

Je moet weten: mannen leven vandaag anders dan doorheen de geschiedenis. Vroeger wisten ze wie ze waren. In stamverband of in een extended family leven, gaf hen het gevoel dat ze ergens bij hoorden. Ze waren fysiek actief en hadden hun leven in handen. Dat gevoel is weg. Dat is deels te wijten aan de labiele wereldeconomie en de onzekere werkomstandigheden. Werken heeft nu eenmaal een invloed op het zelfbeeld van een man: een man die zijn familie kan onderhouden, voelt zich nuttig. Als hij dat niet kan, wordt hij onzeker. Als die behoefte om iets te betekenen geen uitlaatklep vindt, kan dat mentale problemen of allerlei verslavingen veroorzaken.

Wat is dan het verband met geweld?

SAMUELS: Die gefrustreerde mannelijke energie kan ook woede produceren die op anderen is gericht. Wie zijn de aanhangers van Donald Trump? Boze blanke mannen die lijden onder het economische klimaat, die het gevoel hebben dat ze iets kwijt zijn. Omdat anderen de schuld geven van dat slechte gevoel het gemakkelijkst is, richten ze hun agressie op iedereen die ze als bedreigend ervaren, zoals vrouwen, migranten, homoseksuelen. Hetzelfde principe ligt aan de basis van de brexit, of de recente rellen in Oostenrijk en Hongarije. Een economie die niet in evenwicht is, waarbij steeds minder mensen delen in de weelde, is een recept voor extremisme, en voor extreem gedrag van mannen in het bijzonder. Ik durf zelfs te suggereren dat de opkomst van de IS deels terug te voeren is op een gruwelijk toxisch mengsel van mannelijke vervreemding en een bastaardvorm van religieus extremisme.

Ook het feminisme en de toenemende gendergelijkheid morrelen aan het concept mannelijkheid.

SAMUELS: Er is een groot verschilt tussen de maatschappelijke dominantie van mannen en hun individuele ervaringen. De feministische strijd werd voor een deel gewonnen door blanke middenklassevrouwen, en mannen uit de lagere sociale klassen delfden het onderspit. Daarmee veroordeel ik het feminisme niet, elke sociale strijd heeft nu eenmaal winnaars en verliezers. Maar de nieuwe politieke correctheid zorgt ervoor dat mannen niet altijd kunnen zeggen wat ze denken en voelen. Iemand als Donald Trump wint zulke mannen gemakkelijk voor zich, want hij durft het wél. De politieke correctheid slaat soms ook door. Toen wetenschapper en Nobelprijswinnaar Tim Hunt, een man met een ongelooflijke carrière die veel goeds heeft gedaan voor de samenleving, een slechte grap maakte over vrouwen in wetenschap, verloor hij zonder nader onderzoek zijn positie als ereprofessor aan het University College London. Hoewel achteraf bleek dat de klokkenluider een en ander uit de context had getrokken, heeft hij zijn positie niet teruggekregen. Zulke zaken leiden tot een gevoel van ontmanning, en dat mondt uit in woede.

Je hoort vaak dat gendergelijkheid pas bereikt is als mannen hun gevoelens en kwetsbaarheden mogen tonen.

SAMUELS: Daar is nog een lange weg te gaan. Voor mannentranen is er amper plaats in de samenleving. Men leert jongens al vroeg om hun gevoelens te beheersen in plaats van ze te tonen. Alleen harde emoties zoals woede en agressie worden aanvaard, want die worden mannelijk gevonden. Mannen moeten leren dat ze de traditionele stereotypen mogen loslaten. Ze moeten vaker praten in plaats van in stilte depressief te zijn. Een man zou moeten kunnen toegeven dat hij ergens mee worstelt zonder dat hij het idee heeft dat het zijn mannelijkheid aantast.

 

Verkrachtingscultuur

Dat veel mannen het moeilijk hebben, blijkt uit de statistieken van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP). Zelfmoord is in Vlaanderen de eerste doodsoorzaak bij mannen tussen de 15 en de 49 jaar. Risicofactoren zijn problemen in de relatie, met werk, geld of gezondheid, of met het gerecht. VLESP maakt dezelfde analyse van het mandom: mannen leven emotioneel meer geïsoleerd dan vrouwen, ze zijn gevoeliger voor economische veranderingen, de drempel voor psychologische hulpverlening ligt vaak hoger en hun methodes om er een eind aan te maken zijn efficiënter. Het geweld dat ze op zichzelf plegen is harder.

De vraag is dan: wie leert mannen dat ze geen gevoelens mogen tonen? Volgens de Amerikaanse filmmaker en antigeweldactivist Jackson Katz gebeurt het overal, maar zetten de massamedia het beeld van hypermasculiniteit als geen ander neer. In Though Guise, de reeks documentaires die hij de voorbije vijftien jaar maakte over de cultuur van geweld, toont hij hoe jongens al snel het recept van mannelijkheid meekrijgen via films als Fight Club en Mad Max , of personages als de koelbloedige James Bond, de dominante, blanke man die de vrouwen krijgt die hij wil. Acteur Daniel Craig, een fervent feminist, is trouwens de eerste om toe te geven hoe misogyn Bond wel is.

‘Hoe worden mannen genoemd die niet in dat kleine hokje passen? Mietjes’, zegt Jens Van Tricht. ‘De druk op jongens om zich naar dat ideaalbeeld te plooien is groot.’ Van Tricht is de oprichter van de Nederlandse organisatie Emancipator. Sinds de jaren negentig verdiept hij zich in genderstudies en het concept mannelijkheid. Met Emancipator wil hij het probleem rond mannelijkheid in kaart brengen en jongens en mannen betrekken in het proces naar gendergelijkheid. ‘Het probleem is de manier waarop we naar mannelijkheid kijken’, meent Van Tricht. ‘We delen mannen en vrouwen in volgens biologie, en koppelen daar cultureel bepaalde invullingen van mannelijkheid en vrouwelijkheid aan, waarbij men mannelijkheid hoger inschat dan vrouwelijkheid. Die patriarchale hiërarchie is giftig. Ze is schadelijk voor mannen.’

Toxische mannelijkheid is een probleem dat de samenleving creëert, zegt u. Legt u dat eens uit.

JENS VAN TRICHT: Voor alle duidelijkheid, mannelijkheid kan positief zijn. Maar tegenwoordig wordt ze gedefinieerd als een moeilijk te bereiken ideaal dat je snel kunt verliezen. Je moet je als man voortdurend bewijzen. Daarom houden ze zichzelf recht met codes als ‘ik ben geen slachtoffer’, ‘ik heb geen hulp nodig’, ‘ik kan het wel alleen’. Veel mannen worden nog liever dader dan dat ze slachtoffer zijn. Zo krijg je een apenrots waar iedereen bovenaan wil zitten en anderen naar beneden duwt, om zelf niet naar beneden te worden geduwd.

Je hoort weleens: ‘De drie gevaarlijkste woorden die je tegen een jongen kunt zeggen, zijn “Wees een man!”’ Bent u het daarmee eens?

VAN TRICHT: De eerste les die jongens leren, is dat ze niet vrouwelijk mogen zijn. Jongens horen sterk, daadkrachtig en direct te zijn. Meisjes gevoelig, zorgzaam en passief. Door jongens en meisjes als een binaire tegenstelling te zien – de ene is niet wat de andere wel is – leer je jongens af om hun gevoelens te herkennen en te benoemen. Zó schep je de omstandigheden voor toxic masculinity. Omdat er geen twijfel mag bestaan over de vraag of je wel een echte man bent, zetten mannen die mannelijkheid extra in de verf. Uit dat mechanisme ontspruit hypermannelijkheid of toxische mannelijkheid, waarbij de positieve mannelijke kwaliteiten vervormen tot kwalijke varianten. Daadkracht verandert in dominantie, kracht verandert in agressie. Omdat men bang is voor vrouwelijke eigenschappen, ontstaat er homofobie. Het idee van hypermannelijkheid zit ook achter de druk om de kostwinner te zijn, ook dat is een schadelijk ideaal voor mannen. Alleen ervaren mannen dat niet zo, want dat is een teken van zwakte. Het bijt zichzelf voortdurend in de staart.

De ideale man lijkt vandaag blijkbaar meer op James Bond dan op Mad Max.

VAN TRICHT: Klopt. In tegenstelling tot wat je zou denken, is niet de gespierde macho de norm, maar de blanke hoogopgeleide heteroseksueel in maatpak. Hij is de maatstaf waarmee alle andere mannen worden vergeleken. De Australische sociologe Raewyn Connell noemt dat ‘hegemoniale mannelijkheid’. Die vorm van mannelijkheid legitimeert de patriarchale verhoudingen het meest. Daarnaast beschreef Connell nog drie types: ‘medeplichtige mannelijkheid’ – hij voldoet niet helemaal aan het ideaal maar houdt het systeem mee in stand, ‘ondergeschikte mannelijkheid’ en ‘gemarginaliseerde mannelijkheid’.

In elke sociale groep wordt mannelijkheid ook nog eens op een andere manier geclaimd. De hegemoniale man doet dat door geld, status en macht tentoon te spreiden. Hoe lager op de maatschappelijke ladder, hoe meer mannen hun toevlucht moeten nemen tot de enige bron die nog ter beschikking is: het lichaam. Dus hoe armer mannen zijn, hoe belangrijker dominantie door fysieke agressie wordt. Ook sociale ongelijkheid is dus een vorm van geweld. Daarom zie je meer lichamelijk geweld bij criminele bendes in arme buitenwijken, terwijl fenomenen zoals de bangalijst van Vindicot, of de ‘locker room talk’ van Donald Trump ogenschijnlijk minder agressieve maar even efficiënte heersstrategieën van de hogere klassen zijn. De mannen uit de elite laten het zichtbare geweld door anderen regelen, en claimen hun mannelijkheid door op een vunzige manier over vrouwen te praten en het dan af te doen als een grapje. Het probleem is dat machtige mannen geweld tegen vrouwen op die manier legitimeren.

Vorige week kuste een man tijdens een Frans tv-spelletje de boezem van zijn medespeelster. Achteraf regende het klachten, maar op het moment zelf zat het publiek te lachen. Het lijkt alsof mensen niet zwaar tillen aan dat gedrag.

VAN TRICHT: Het gevaar is dat men denkt dat het oké is omdat het niet agressief is, en dat men er niets mee te maken heeft als men het niet zelf doet. Maar dit maakt deel uit van een verkrachtingscultuur, en wie zich niet tegen dat gedrag verzet, doet eraan mee. Het is niet omdat je zelf geen vrouwen verkracht of misbruikt dat je niet kunt bijdragen aan een cultuur die gewelddadige mannelijkheid voedt door grapjes te maken, excuses te verzinnen of de schuld bij de slachtoffers te leggen. Op die manier stimuleer je jongens en mannen om zich ook zo te gedragen.

Tot slot: zitten bloedlust en agressie nu echt in de genen bij mannen? Voelen ze zich daarom beter bij een dominante rol?

VAN TRICHT: Het Fight Club-ideaal mag sommige mannen dan wel aanspreken, mannen zijn niet geprogrammeerd om gewelddadig en dominant te zijn. Dat evolutionaire en biologische betoog is populair, maar het werd al lang ontkracht. Vergelijkende studies tussen mannen en vrouwen tonen dat we zelfs met onze verschillende lichamen, hersenen en genen meer op elkaar lijken dan dat we van elkaar verschillen. Het onverenigbare verschil tussen man en vrouw is gewoon een idee, een regressieve beweging, een uiting van onzekerheid. Die mythes zijn zo hardnekkig omdat ze aansluiten bij wat mensen graag willen horen: dat mannen van Mars en vrouwen van Venus komen. Dan wijs ík liever op de mannen die hun vrouwelijke kwaliteiten zoals zorgzaamheid wél kunnen verzoenen met hun man-zijn.

Dit artikel verscheen in Knack van 2 november 2016.