SCHRIJFSTER JANNAH LOONTJENS: ‘De term vrouwenboek verraadt dat de stijl van vrouwen minderwaardig zou zijn’

In Mijn leven is mooier dan literatuur dartelt de Nederlandse filosofe Jannah Loontjens lichtvoetig rond thema’s als schrijversangsten, vrouwenliteratuur, pulp én de autobiografische leugen.

Dat we de eerste zin van dit artikel meermaals schrapten, aanpasten en herschreven, is kennelijk een normaal fenomeen waar elke schrijver mee worstelt. Dat we stilletjes hopen dat u over onvolkomenheden heen leest, ook. Een extreem voorbeeld daarvan was de Amerikaanse dichteres Elisabeth Bishop, die als ze haar boeken bij andere mensen zag, er met pen correcties in aanbracht.

Over dit soort twijfels en andere aspecten van de psychologie van het schrijven laat Jannah Loontjens in Mijn leven is mooier dan literatuur haar licht schijnen. Wat betekent schrijverschap vandaag? Wat betekende het voor illustere beroepsgenoten als Marcel Proust, Virginia Woolf, Plato en Kafka? Hoe verhielden zij zich tot schrijfkwesties als vorm, taal, inspiratie – of het gebrek eraan?

Het zo gevreesde writer’s block, ‘het horrorscenario van elke schrijver’, onderzoekt ze door voorbeelden van collega’s te toetsen aan het uitstelgedrag van Marcel Proust en aan scènes uit de film Adaptation. De scenarist ervan, Charlie Kaufman, lijdt aan depressie en slapeloosheid omdat hij maar geen gepaste openingsscène kan vinden voor de film die hij op basis van een boek moet schrijven.

Schrijvers leveren een zware strijd, schijnt Loontjens te willen zeggen, want wat moeten ze al niet overwinnen om te slagen in hun opzet: drempelvrees, twijfels, paniek over de originaliteit, grote verwachtingen, stemmingswisselingen, verlamming. Dat is normaal, sust ze ook. Je hele schrijverschap staat uiteindelijk op het spel.

De filosofe weet waar ze over spreekt. Ze is literatuurwetenschapper, maar haar passie voor het schrijven legt ze ook in poëzie en proza. Dit jaar nog verscheen haar derde poëziebundel Dat ben jij toch. Veel geluk, haar debuutroman, publiceerde ze in 2007, Hoe laat eigenlijk kwam er in 2011. Tussendoor werkte ze aan haar proefschrift over modernistische literatuur.

‘De bespiegelingen die tijdens het schrijven bij me opkwamen, wilde ik graag verwerken in mijn proefschrift. Maar een academisch werk staat geen eigen associaties en observaties toe. Jammer, want dat is wat me uiteindelijk interesseert. Wat overbleef, werd dit merkwaardige boek’, glimlacht Loontjens. ‘Het raakt aan filosofie, maar ook aan zelfhulp, autobiografie, literatuurgeschiedenis en literatuurwetenschap. Het is vooral bedoeld voor mensen die willen schrijven.’

Komische Kafka

Hoewel Jannah Loontjens literatuurtheorie en literair schrijven doceert aan de academies van Den Haag en Arnhem, is Mijn leven is mooier dan literatuur geen handleiding geworden. Daar is het te persoonlijk voor, al barst het van de literaire weetjes. ‘Als je van een schrijver houdt, wil je graag meer weten over zijn of haar leven. Niet zozeer om het werk beter te kunnen plaatsen, maar omdat er aan elk boek een scheppingsproces voorafgaat. Dat is wat me boeit. Het zou onnatuurlijk zijn om dat los te koppelen van hun leven. Om die reden vind ik ook dagboeken van schrijvers razend interessant.’

Alsof ze met gebolde wangen tegen een paardenbloempluisbol blaast, zo licht en tegelijk tactiel doet Loontjens verslag van het plezier van lezen en schrijven. Toch blijven de pluisjes, zodra ze je raken, hardnekkig hangen. Op de vraag hoe taal ingrijpt in de werkelijkheid bestaat bijvoorbeeld geen pasklaar antwoord. Stuurt taal het denken? Denk je wel echt wat je opschrijft? Is het nog waar, zodra het er staat? Staat het er wel correct? En zal de lezer je woorden begrijpen zoals jij ze hebt bedoeld? Meta, ja, maar nooit saai of encyclopedisch.

Ik heb ook paniekaanvallen, vlagen van onzekerheid en twijfels als ik aan het schrijven ben. Maar toch wil ik het blijven doen

Over de bovengenoemde twijfels en angsten, bijvoorbeeld, is Loontjens erg openhartig. ‘Ik wilde inzicht krijgen door aan zelfonderzoek te doen’, knikt ze. ‘Ik heb ook paniekaanvallen, vlagen van onzekerheid en twijfels als ik aan het schrijven ben. Maar toch wil ik het blijven doen. Die tweestrijd maakt deel uit van de psychologie van de schrijver.’

‘Voor dit beroep heb je vakmanschap en discipline nodig of je werk raakt niet af. Tegelijk word je erg beïnvloed door je stemming. Als ik in de put zit, kan ik bijvoorbeeld niet schrijven. Dan moet ik eerst een manier vinden om uit de depressie te geraken. Soms lukt dat juist door diep in het werk te duiken en in het schrijven te verdwijnen. In een fictief verhaal kruipen is voor mij de ultieme vlucht. Je bent zo geconcentreerd dat het uiteindelijk de grootst denkbare ontstpanning is. Uiteindelijk werkt schrijven dan verlichtend.”

Er is natuurlijk ook het zalvende aspect van het lezen van andermans literatuur. “Een boek kan me uit mezelf trekken”, beaamt ze. ‘Ik herinner me nog dat ik me naar voelde toen ik Charlotte Mutsaers’ Koetsier Herfst las. Daar moest ik zo om lachen dat het meteen een stuk beter ging. Ik word ook vrolijk van Kafka. Terwijl de meeste mensen zijn werk beklemmend vinden, vind ik het vaak komisch. Het schijnt ook dat hij zelf niet meer bijkwam als hij voorlas uit eigen werk. Ik fleur helemaal op van inspirerende boeken. Pulp vind ik vreselijk tergend om te lezen. Het verveelt me, het daagt me niet uit.’

Normaal versus gek

Wat je onthoudt van een boek zegt ook iets over jou als lezer, stelt Loontjens. Terwijl Michael Cunningham, die de roman The Hours schreef over Virginia Woolf en de invloed van haar werk, vooral getriggerd werd door de homoseksuele elementen uit haar leven, vraagt Loontjens zich bij het lezen van Woolf vooral af wat gewoon is en wat gek. Wat zegt dat over haar? ‘Als kind vroeg ik me al af wat het betekende om ‘normaal’ te zijn. Ik ben opgegroeid in Zweden, wij woonden heel primitief in een huis in een bos zonder elektriciteit. Mijn ouders waren hippies. Maar de dorpelingen van het dorp waar wij als kind naar de kleuterschool gingen, waren erg bekrompen en zagen ons als een stelletje freaks. Mijn broer en ik werden gepest. Na de verhuizing naar Nederland leefden we een tijd in kraakpanden. Opnieuw mochten kinderen niet met mij spelen. Ik heb als tiener een tijd gedacht dat het beter was om écht gek te zijn, dan hadden die mensen tenminste gelijk en kon ik doen wat ik wilde. In elk geval, buitenstaander zijn werd een rol, wat dan weer een belangrijke bron werd van het schrijverschap.’

Een van de dwanggedachten van schrijvers is dat ze origineel en authentiek moeten zijn.

Voor de gelogen titel van haar boek stal de schrijfster een citaat van een man die nooit leest maar aan wie het horen wil wel voortdurend verhalen vertelt over zijn leven – ‘zulke mensen heb je dus ook’, zegt ze daarover met enige verbazing in haar stem. Maar wat ze hiermee vooral ter discussie wil stellen is de nog steeds heersende gedachte dat autobiografische literatuur minderwaardig zou zijn. Loontjens: ‘Is niet alle fictie autobiografisch en niet alle autobiografie fictief? Zodra je een verhaal begint te vertellen of iets vastlegt op papier begint de leugen, want je creëert iets dat belicht is vanuit één perspectief.’

Toch maakt ze een onderscheid tussen inspiratie puren uit het leven en therapeutisch schrijven. ‘Literatuur mag best persoonlijk zijn. Iemand die iets van zich afschrijft kan op zich een perfect literair boek schrijven. Het een sluit het ander niet uit. Maar je moet in de eerste plaats wel een goed schrijver zijn. A.F.Th. van der Heijden schreef na de dood van zijn zoon met Tonio een prachtige roman over rouwverwerking. De een ziet frustraties en zet ze ongefilterd op papier, de schrijver ziet materiaal waar hij over nadenkt en dat hij bewerkt. Op zich heeft die schrijversbril soms ook iets kwalijks. Op de duur wil je overal iets uithalen, en betrap je er jezelf op dat je tijdens een gesprek met vrienden een stukje dialoog probeert te memoriseren omdat het perfect past voor een van je personages.’

De magie van het schrijven ontrafelt Loontjens niet, maar net op dat onbenoembare probeert ze pagina na pagina haar vinger te leggen. Over het vinden van de vertelstem, een van de meest cruciale elementen van een boek, besluit ze dat zelfs de schrijver die maar gedeeltelijk kan afdwingen. Vaak zet een ingeving hem op het juiste spoor. ‘Een van de dwanggedachten van schrijvers is dat ze origineel en authentiek moeten zijn. Het begint al bij de eerste zin van hun boek. De verwachting die die zin moet oproepen qua toon en inhoud kan verlammend werken. Bovendien is origineel zijn niet realistisch. Zodra we taal leren, doen we dat door woorden na te zeggen, door andermans teksten te lezen, door je dingen eigen te maken die in eerste instantie niet van jou zijn. Ons hele denken en zijn is gevormd door andermans gedachten, de samenleving, de cultuur en het milieu waarin je leeft. Hoe origineel kun je dus nog zijn? Authenticiteit is net iets anders dan originaliteit. Authenticiteit, dat kun je wel voelen in een tekst. Maar hoe dat precies werkt, kan en wil ik niet ontrafelen. En dat is maar goed ook, het zou de betovering verbreken. Kwaliteit moet je voelen.’

Vrouwenboeken en pulp

Literatuur is magie. Betovering. Ook bezweren is een woord dat een paar keer terugkeert. ‘Ik ben natuurlijk niet alleen onzeker als schrijver. Ik pieker ontzettend veel, blijf maar malen. Ik speel gebeurtenissen telkens opnieuw af in mijn hoofd, vraag me af of ik er wel goed aan deed om dit of dat te zeggen, over hoe ik iets weer ongedaan kan maken. Maar zodra ik dat gevoel kan transformeren in bruikbaar materiaal in een verhaal dat voor mij zin heeft, kan ik het accepteren. Als ik het kan benutten voelt het alsof het me ook niet meer zal kunnen raken in mijn echte leven. Dat is een manier van bezweren. Of sublimeren.’

Is een schrijver per definitie een neurotisch persoon, dan? Ze schudt het hoofd. ‘Een gevaarlijke uitspraak.’ Goed dan, is zij zelf een neurotisch schrijver? Gegiechel. ‘Dat moet je aan mijn vriend vragen. Ik vind van niet, maar volgens hem heb ik wel trekjes van een dwangneurose. Maar een schrijver hoeft niet neurotisch te zijn. Het cliché van de getormenteerde schrijver is onzin, neerslachtigheid komt schrijvers niet noodzakelijk ten goede. Wel belangrijk is een groot empathisch vermogen. Je moet je kunnen verplaatsen in totaal verschillende personen en gedachten. Je mag niet alleen je eigen beeld van de werkelijkheid projecteren. In mijn gewone bestaan is dat een lastige eigenschap. Ik leef me zo in anderen in dat ik alvast anticipeer op hoe zij zouden kunnen denken. Ik denk voor hen, en vaak zit ik er gewoon naast.’

Het cliché van de getormenteerde schrijver is onzin, neerslachtigheid komt schrijvers niet noodzakelijk ten goede

Hoe dan ook, een schrijver die in zijn verhaal zit, is erdoor geobsedeerd en dat kan knap vervelend zijn als het echte leven ertussen komt fietsen. Of het nu gaat om de kinderen van school afhalen of te midden van het drukke verkeer of de bioscoop een ingeving krijgen, een auteur aan het werk is bijna per definitie afwezig. ‘Ik moet het noteren of memoriseren, of het ontschiet me. Dan zit ik op een trapje op de stoep te schrijven.’

Het schrijverschap en het ouderschap is een lastige combinatie, geeft Loontjens toe. ‘Je moet gedisciplineerder zijn, je hebt veel minder tijd. Als ik in een verhaal zit, blijf ik daarover nadenken. Je moet leren om dat proces aan en uit te schakelen. Tegelijk leer je door kinderen om je beter in te leven in andere persoonlijkheden. Je ontdekt kanten van jezelf die je voorheen niet vermoedde, wat best confronterend kan zijn.’

Al was het wel schrikken als ze bij boekbeoordelingen eerst aan haar geslacht werd herinnerd voor er over de inhoud of de kwaliteit van haar werk werd gepraat. Vrouwen worden volgens Loontjens nog steeds niet altijd even serieus genomen in de literaire wereld. ‘Bij Vijftig tinten grijs is iedereen het erover eens dat het pulp is, maar het wordt ook wel een ‘vrouwenboek’ genoemd. ‘Vrouwenboek’ is een term die verraadt dat de stijl van vrouwen minderwaardig zou zijn. In de literatuur ging men er lang van uit dat boeken geschreven door vrouwen vaker autobiografisch of emotioneel waren. Die vooroordelen stammen absurd genoeg nog uit de tijd dat vrouwen nog thuis bleven en enkel mannen een beroep hadden en meer van wereldse zaken afwisten. Mannen schrijven zogenaamd over het hogere, maar wordt een auteur als Kluun beoordeeld op zijn mannelijke kwaliteiten? Neen, als een man over zijn emoties schrijft, noemt men dat moedig. Men leest gewoon anders als men het geslacht van de auteur kent.’

In blinde tests haalt niemand er de mannelijke of vrouwelijke auteurs uit

Kennen we dan meteen het antwoord op de vraag waarom zo weinig vrouwelijke auteurs op de shortlist voor de Gouden Boekenuil belanden? ‘Dit onevenwicht trekt ooit wel recht’, voorspelt Loontjens. ‘Dat kan niet anders, er studeren steeds meer vrouwen af. Mijn vrouwelijke studenten vinden dit ook een totaal gedateerd onderwerp. Maar intussen worden vrouwen wel als vrouw in de markt gezet door sommige uitgeverijen. Dan is de vraag door welke feministische bril je dat bekijkt. Doen we aan verschildenken of aan gelijkheidsdenken? Moet je net dat verschil tussen mannen en vrouwen accentueren? Of gaat het erom dat je een schrijver bent? Ik ben meer voor dat laatste. In blinde tests haalt niemand er de mannelijke of vrouwelijke auteurs uit. Als je fictie schrijft, kun je je net zo goed in mannen verplaatsen als in vrouwen.’

Jannah Loontjens, Mijn leven is mooier dan literatuur, Ambo, 184 p., 18,95 euro.

Dit artikel verscheen in DMBoeken op 3 april 2013.