ANTROPOLOGE MARITA DE STERCK: ‘Wrede sprookjes leren ons omgaan met de realiteit’

©Jonas Thys

Voor de bundel Vuil vel verzamelde auteur en antropologe Marita de Sterck veertig Vlaamse oersprookjes: rauwe en ongecensureerde volksverhalen over onbevredigbare prinsessen, vrouwenmoordenaars en gewelddadige moeders. Of het publiek klaar is voor onversneden gruwel? Het wordt in ieder geval tijd, menen experts. ‘In oersprookjes durft men het ondenkbare te benoemen.’

Er was eens een vrouw die elke dag, van de vroege ochtend tot de late avond, op het veld moest travakken. Veel harder dan haar man wroette die vrouw op het land. Ze spaarde haar man op zijn minst twee kloeke knechten uit. Op een dag werd uit haar een kind geboren. De vrouw riep uit: ‘Wat moet ik met die rommel aanvangen? Ik heb toch helegans geen tijd om een kind te verzorgen! Ik heb meer dan mijn handen vol op het veld.’Toen vermoordde de vrouw haar kind met haar eigen blote handen. Ze ging het de volgende nacht op het kerkhof begraven, zodat niemand er iets van wist. De volgende dag deed ze wat ze alle dagen deed. Ze zwoegde op het veld, alsof er niets gebeurd was.

Fragmenten zoals dit uit het verhaal ‘Van de vrouw die haar drie kinderen vermoordde’: Vuil vel staat er vol van. In ‘Van de boze moeder en de straffende notenboom’ vermoordt een moeder haar zoon, kookt hem, serveert hem aan zijn vader en laat ze zijn zus de beenderen onder een notenboom begraven. In ‘Het flesje van Victoria’ keelt een broer zijn zus omdat ze zijn zin niet doet. Is Vuil vel een boek over gezinsdrama’s? Marita de Sterck: ‘Overal ter wereld werden tijdens overgangsrituelen straffe verhalen verteld, vol agressie en erotiek. Vandaag heeft men het lef niet meer om dat soort verhalen te vertellen. We zijn bange opvoeders geworden. De grote dramatische vertellingen die in niet-westerse culturen aan jongeren worden verteld, worden bij ons afgedekt. Terwijl veel van die sprookjes een initiatie betekenen in het volle leven. In Beest in bed en Bloei verzamelde ik al ongecensureerde versies van bekende sprookjes uit diverse cultuurgebieden. Nu ben ik die rauwe sprookjes gaan zoeken in Vlaanderen.’

‘Sommige sprookjesmotieven zijn universeel’, zegt De Sterck. ‘In ‘De drie gezusters’ (zie onder) speelt de vrouwenmoordenaar, of de figuur van Blauwbaard de hoofdrol. Alle culturen willen opgroeiende meisjes waarschuwen voor mannen die hen kapot willen maken. ‘Volg geen man die niemand kent’ hoorde ik ook in volksverhalen in het Amazonewoud.’

Er was eens een moeder die drie dochters had, die ze niet kon uitstaan. De oudste was dat beu en zei: ‘Moeder, ik trek de wereld in om mijn geluk te zoeken.’ De moeder antwoordde: ‘Dan wens ik dat het straatstenen regent als ge op pad zijt.’ Het meisje stoorde zich daar niet aan en ging op weg. Toen ze een tijd gelopen had, werd de hemel zwart. Eerst viel er een beetje regen, maar daarna regende het steeds harder. Uiteindelijk viel er een dichte regen van straatstenen uit de lucht.

Een vrouw die haar drie dochters haat: vond men dat honderdvijftig jaar geleden normaal? Toch niet, zegt De Sterck. ‘Die verhalen zijn geen platte verslagen van de cultuur van die tijd. Zo’n opening is vooral een sterke narratieve techniek. Het is pure vertelkunst. Het prikkelt en roept vragen op. Iedereen wil weten wat er gebeurt. Op twee bladzijden ontvouwt zich een straf verhaal van twee zussen die bij de verkeerde gaan schuilen, en vermoord worden. De derde is slimmer, en trouwt met de moordenaar.’

‘Zo’n verhaal gaat meteen naar de kern: leven en dood, en vooral, op het einde blijven de doden dood. Het is vertellen met lef, zonder restricties. Lees dit voor in een klas en het is doodstil. Er worden allerlei emoties gemobiliseerd, je moet al van steen zijn om hier niets bij te voelen. Jongeren reageren moreel verontwaardigd. Het is opmerkelijk dat die verhalen zulke sterke genen hebben. Ondanks het feit dat ze oud zijn, blijven ze actueel. De gruwelijkste misdaden gebeuren binnen het kerngezin. Zoals de moeder die haar drie kinderen vermoordde in Lennik: dat blijft ons verbijsteren. Het zijn basale thema’s. Uit oersprookjes leren we dat ook extreme wreedheid bij het leven hoort. Je moet dat niet proberen weg te moffelen.’ In Vuil vel brengen de linoprenten van Jonas Thys de rauwe scènes juist extra in beeld.

Naast de bloederige gruwelverhalen krijgen in Vuil vel ook erotische vertellingen een plaats. De Sterck: ‘De verhalen die ik vond zijn hilarisch, grotesk, en sluiten aan bij de platte mop of de boertige klucht. Een schitterend voorbeeld is dat van de koningsdochter die niet wilde vrijen. De koning schrijft een wedstrijd uit: de man die haar kan bevredigen, krijgt haar tot vrouw. Velen voelen zich geroepen maar falen en worden in de kerker gegooid. Tot een gebochelde man met een ezelsfluit zich aanmeldt en er door een list in slaagt de prinses tot ongekende hoogten te brengen. Als ik dat verhaal voorlees aan pubers, vallen de monden open. Zij vinden dat geestig, niemand praat met hen op die manier over seks. Opvoeders vragen me weleens of het er niet over is, maar wat denk je dat pubers zien als ze op internet zitten?’

Om die rauwe sprookjes te vinden, ging Marita de Sterck op zoek naar ouder, ruwer materiaal dat nog niet door de mangel van de censuur werd gehaald. In archieven als de Antwerpse Erfgoedbibliotheek Conscience en het Antwerpse Letterenhuis grasduinde ze in handschriften met verhalen die honderdvijftig jaar geleden werden opgetekend door volkskundigen als de Duitse onderzoeker Johann Wilhelm Wolf en de Vlaamse onderwijzer Alfons de Cock. Marita de Sterck: ‘In de schriftjes van De Cock vind je de verhalen in ruwe vorm, voor ze werden gedrukt. Ze zijn zoveel rijker dan de zoutloze kost die nu circuleert. In de marge lees je zijn opmerkingen: ‘gewaagde versie’, ‘onmogelijk te vervangen vuile passage’. Samen met Pol de Mont stelde hij belangrijke bundels samen, met achterin notities over de wijzigingen ‘aan enkele onzer vertelsels toegebracht, met het oog op de schoolgaande jeugd’. In een grappig verhaal overtuigt een schelmfiguur een reus om stront te eten, zodat hij te hard zou stinken voor de prinses. In de notities staat: ‘ Men vervange de stront door ene kruidsoort.’ De reflex om het deftig te houden is oud.’

Sprookjesdeskundige Harlinda Lox: ‘De sprookjescanon zoals we die nu kennen, is gestuurd door de mannenmaatschappij’

Sprookjes werden gecensureerd zodra ze werden neergeschreven en in boekvorm gepubliceerd, zegt de Gentse sprookjesdeskundige Harlinda Lox. ‘Het censureren en redigeren van Vlaamse volksverhalen gebeurde door volkskundigen, vaak priesters of onderwijzers. Dus de pittige details over priesters en de minder educatief verantwoorde passages werden uit de boeken geschrapt.’

Ook van Wilhelm Grimm weet men dat hij de verhalen manipuleerde tot ze pasten in zijn wereldbeeld, maar Lox ziet een breder patroon. Lox: ‘De oorspronkelijke verhalen gingen over de geheimen van leven, dood en liefde, en werden door volwassenen aan volwassenen verteld. De canon zoals we die nu kennen, is gestuurd door de mannenmaatschappij. Van de tweehonderd verhalen die tweehonderd jaar geleden verzameld werden door de gebroeders Grimm, kent men er vandaag een vijftiental. De andere 185 sprookjes werden niet verspreid omdat ze niet voldeden aan het vrouwbeeld van toen: vrouwen moesten deugdzaam zijn, net, rein en geduldig. Verhalen met een emancipatorische impuls herschreef men. Eigenzinnige en nieuwsgierige vrouwen belandden door de pen van Wilhelm Grimm op de brandstapel of werden op een andere manier gestraft.’

‘De Grimms wilden opvoedende boeken maken voor kind en gezin’, zegt Lox. ‘Zij transformeerden de dwergen van Sneeuwwitje, die oorspronkelijk kannibalen waren die in een hol leefden, tot nette burgermannetjes die aan een gedekte tafel met vork en mes aten. Wilhelm Grimm voegde verkleinwoorden toe, onomatopeeën en een godsfiguur. Het erotische schrapte hij. Roodkapje werd helemaal niet opgegeten door de wolf, maar verkracht. En voor de zedigheid trok Wilhelm Grimm hem ook een nachtjapon aan. Hij veranderde ook de rol van de moederfiguur. Zij werd een heilige, en in de verhalen waarin moeders hun kinderen beschadigden, werd die rol doorgeschoven naar de stiefmoeder.’

Ondanks de opgedrongen burgerlijke moraal hebben veel sprookjes nog steeds een existentiële code, zegt Lox. ‘Sprookjes zijn grillig, ze laten zich niet zomaar temmen. Je kunt er nog steeds in lezen wat je wilt. Was Assepoester wel zo zielig, of was ze net erg listig? Men zegt dat sprookjes antwoorden hebben voor iedereen die een vraag heeft.’

‘Door mee in het verhaal te stappen, vernauw je tijdelijk je blikveld en reis je samen naar een andere wereld met eigen wetmatigheden’, zegt ook De Sterck. ‘Maar toch zijn er ankerpunten met de realiteit die je kent. Luisteraars en lezers betrekken verhalen voortdurend op zichzelf. De emoties die ze erbij voelen, zijn echt. Er is frictie. Die verhalen schuren tegen de samenleving, ze doen pijn. Ze hebben een transformerende kracht, je bent daarna niet helemaal dezelfde.’

Kinderpsychologe Myriam Maes: ‘Verbeelding helpt om dingen een plaats te geven’

Eerder in dit artikel stelde Marita de Sterck dat oersprookjes kinderen leren dat ook extreme wreedheid bij het leven hoort. In de inleiding van Vuil vel valt pedagoog en kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen haar bij. Sterke gevoelens zoals afgunst en haat vloeken volgens Vanobbergen met onze tijd waarin we kinderen proberen af te schermen van gruwel en terreur en waarin we de kinderlijke onschuld koesteren. Het lijkt de commissaris vooral interessant om kinderen en jongeren door deze verhalen te leren dat het leven niet altijd rooskleurig is. Klinisch psychologe Myriam Maes is het volmondig met hem eens. Maes is verbonden aan het Orthopedagogisch Centrum ‘Nieuwe Vaart’ in Gent, waar ze kinderen met trauma’s en gedragsstoornissen begeleidt. Daarnaast doceert ze in het postgraduaat psychoanalyse aan de Gentse universiteit. Sprookjes en verhalen spelen een belangrijke rol in haar therapeutisch werk. ‘Sprookjes zijn een krachtig instrument’, aldus Maes. ‘In de narratieve therapie gebruikt men beelden uit sprookjes om gevoelens te benoemen. Ooit beschreef een vrouw me haar depressie als de steen in de buik van de wolf van Roodkapje. Die verbeelding helpt om dingen een plaats te geven.’

Kinderen kunnen vast en zeker om met ongekuiste sprookjes, vindt Maes. Het zijn de volwassenen die er een probleem mee hebben. ‘Door de gruwel uit de sprookjes te halen en de kinderen onschuldig te houden, bezweren volwassenen vooral hun eigen angsten, en proberen ze hun wreedaardige en perverse fantasieën te vergeten. Negatieve gedachten zijn beschamend. Ze passen niet bij het onschuldige statuut van een kind. Maar kinderen zijn lang niet zo onschuldig. Pikante of gruwelijke verhalen hoef je voor hen niet te censureren. Ze halen er zelf uit wat ze op dat moment nodig hebben en aankunnen.’

Ongecensureerde sprookjes bieden kinderen en volwassenen volgens Maes een forum waarbinnen ze kunnen experimenteren met gedachten en emoties, met noties als goed en kwaad, met schuld en onschuld, met bedreiging en overwinning, met klein zijn of sterk zijn. Myriam Maes: ‘Rauwe sprookjes zijn een antigif tegen het moraliseren van volwassenen. Mensen duwen wreedheid weg uit angst, maar je moet ze toelaten als je ermee wilt leren omgaan. Door negatieve gevoelens te verbieden, loochenen we onze fantasieën en vervreemden we van onszelf. Rauwe sprookjes moraliseren niet, ze gaan voorbij goed en kwaad. Je betreedt een andere wereld waar andere dingen mogen. Sprookjes leren je vrij te denken, gaan in tegen taboes, overschrijden grenzen. Door ze te vertellen, doorbreek je sociale dammen zoals schuld, schaamte en walging. In die zin staan rauwe sprookjes lijnrecht tegenover onze manier van opvoeden, waarin kinderen braaf en gehoorzaam moeten zijn, en alles moeten overnemen zonder vragen te stellen.’

Kinderpsychologe Myriam Maes: ‘Een vrouw die haar kinderen pijn doet, willen we niet zien. Maar ze is er wel’

In het orthopedagogisch centrum werkt Maes met kinderen die in precaire gezinssituaties leven, kinderen met trauma’s en hechtingsstoornissen. Hoewel ze ook bij hen ruwe sprookjes niet schuwt, pakt ze het wel voorzichtig aan. ‘Een sprookje moet worden voorgelezen, het komt pas tot leven als je je stem gebruikt. Zo creëer je een band. Het spreekt voor zich dat die band veilig moet zijn, dat het kind weet dat de woorden niet bedoeld zijn om te kwetsen. Als ik sprookjes voorlees aan kinderen met een trauma, zorg ik ervoor dat ik oogcontact houd met het kind, en ik let op de reacties. Als het moeilijk is voor het kind, stel ik het gerust, of ik gebruik humor.’

Hoe plaatst de psychologe een dramatische realiteit als kindermishandeling of -moord in de sprookjescultuur? ‘De gruwel binnen het gezin is ook een taboe’, antwoordt ze. ‘Men probeert het meteen te verklaren door psychische labiliteit in te roepen, verslaving, een verleden van mishandeling… Maar meestal zijn die verklaringen ontoereikend. Moeders zijn heilig, die boodschap sluipt langs alle kanalen binnen. Een vrouw die haar kinderen pijn doet, willen we niet zien. Maar ze is er wel. Ze bestaat. In de hulpverlening moet je open over gruwelijkheden kunnen praten.

‘Wat mij vooral boeit, is dat je tijdens het voorlezen van sprookjes gemakkelijk te weten komt waar het kind mee bezig is. Het stelt vragen, het nodigt je uit om te vertellen hoe jij omgaat met wreedaardigheden. Net daarom is het belangrijk om de dingen te leren benoemen. Gruwelijkheden gebeuren, je kunt er je kind niet voor afschermen. Maar je kunt het wel helpen om ermee om te gaan, je kunt het bespreekbaar maken. De kracht van de sprookjes is dat ze een kind leren om zijn gevoelens om te zetten in taal. Bovendien hebben ze iets bezwerends. Door ze te herhalen, kan het kind voorspellen wat er zal gebeuren, het heeft er vat op.

‘Ook bij echte trauma’s is het belangrijk om opnieuw en opnieuw te vertellen wat er is gebeurd. Niets is zo erg voor een kind als het verbieden om over een trauma te praten of te denken dat het nog te jong is om te begrijpen wat er is gebeurd. Niets is zo erg, voor kinderen én volwassenen, als iemand te vertellen hoe hij of zij zich behoort te voelen. Het verschil tussen het samen lezen van sprookjes en het moraliserende gesprek is dat je samen, volwassenen en kind, in dezelfde richting kijkt. Je deelt ervaringen. Je scherpt de verbeelding aan. Je maakt de negatieve kanten van het leven bespreekbaar. Dat helpt ons om over onszelf te denken en onszelf te ontdekken. Zo bouw je mentale kracht op.’

Antropologe Marita de Sterck: ‘Sprookjes verankeren zich in ons leven omdat ze over gedeelde angsten en taboes gaan’

Volkssprookjes gedijen in vertelrituelen, vindt ook Marita de Sterck. De rol van de verteller is niet te onderschatten. Zowel De Sterck als Maes groeide op met een verteller. De vader van De Sterck was een conservatieve kleermaker, maar eens hij begon te vertellen steeg hij boven zichzelf uit. De grootmoeder van Myriam Maes maakte er een ritueel van. Maes: ‘Als wij, kinderen, in bed lagen, kwam ze naar boven. Ze slofte heel luid met haar pantoffels de trap op, alsof ze wilde zeggen: hier ben ik. We slopen alledrie naar haar kamer en ze vertelde. Over priesters, over de hel, over allerlei gruwels. Als kind voel je intuïtief dat die verhalen over meer gaan.’

Ook over generaties en culturen heen kunnen oude sprookjes verbinden. Marita de Sterck herinnert zich hoe een Roemeense vrouw haar een Marokkaanse versie van Belle en het Beest vertelde. ‘De meeste mensen kennen de Disney-versie, maar die Belle is een tuttebel. Er bestaan zoveel oudere versies die veel meer karakter hebben. Waarin een sterke jonge vrouw erin slaagt om van een varken een fatsoenlijk man te maken. Verrassend genoeg lag de Roemeense versie dicht bij een van de Vlaamse versies. Je zou kunnen zeggen dat je elkaar ook kunt vinden in gedeelde angsten en taboes. Net daarom verankeren die sprookjes zich in ons leven.’

In 2012 stootte de Duitse volkskundige Erika Eichenseer op een onaangeroerd archief van ongecensureerde volkssprookjes, verzameld door Franz-Xaver von Schönwertz, land- en tijdgenoot van de gebroeders Grimm. Een greep uit die onaangeroerde sprookjes werd recent vertaald naar het Engels door de Amerikaanse sprookjesdeskundige Maria Tatar. Ook The Turnip Princess biedt een ongekende diversiteit aan verhalen.

‘Er bestaan nog veel meer anthologieën’, onderstreept Harlinda Lox. ‘ Elk sprookje is een variant van een internationaal verteltype, waarvan er meer dan 3000 bestaan. Pas als je de varianten leest, ontvouwen sprookjes zich in hun volle glorie. Door die diversiteit zie je hoe we door onze verhalen met elkaar verbonden zijn.’

Marita de Sterck en Jonas Thys, Vuil vel , De Bezige Bij, 19,99 euro.

Franz-Xaver von Schönwerth en Erika Eichenseer, The Turnip Princess and other newly discovered fairy tales , Penguin Classics.

Dit artikel verscheen op 25 februari 2015 in Knack.