COLUMN Fantoompijn

©Amy Cutler

Gegronde redenen om in een supermarkt dwars op de grond te gaan liggen:

1.

J. is ernstig ziek. Ik zoek naar mooie woorden, maar ik vind ze niet. Beterschap, mail ik hem. Ik tik het hartsgrondig. Maar Helvetica blijft Helvetica, al plak ik er nog zoveel emoji’s achter.
Onvermogen is een woord dat ik wèl vaak tegenkom. Ik spel het met weerzin en met opgetrokken neus.
Ik wil schrijven dat het leven onkneedbaar is, de automatische spelcorrector maakt er onkenbaar van. Is het leven onkenbaar? Ik lig in bed en adem het donker in. Die ruikt naar bedwelmend rotte hyacinten.

2.
Er waren eens twee buideldieren. Of nee, toch niet. Magisch denken helpt vandaag niet.
Februari is een onzalige maand. Ik draai ongedurig rondjes. Gemak is een waterbed waar onrust een lek in prikt.
Geknield dweil ik de plassen op. Ze zijn dieper dan ik dacht. Ik waad voorzichtig naar de overkant. In het slapende land vind ik mijn pompende hart terug.

3.
Hoelang duurt een geslaagd leven? Hoe hard kan het leven slaan? Kun je je lot ontglippen of blijft het in je kuiten bijten?
Ik zie foto’s van een stervende vrouw, neergeschoten tijdens een vreedzame manifestatie. Ik ontkom niet aan de suggestie van een brandende man. Beestachtigheden. Radicalisering is een probleem, zegt men. Wat wordt het? Doen of gedaan worden? Opportunistische onzin. Overlevingsstrategie voor werkvloerpolitici.
Eten of gegeten worden is de wet van de jungle. Mag de lat wat hoger, alsjeblieft?

4.
We zijn gemaakt uit draadjes. We zijn gesponnen, geweven, genaaid. Met kleine steekjes of grove zigzag. Ooit vallen we weer uit elkaar.
Ik ben treurig.
Ik ben treurig omdat ik tegen mijn eigen grenzen aanloop. Mijn hart is rauw vlees, rasperig.
Ik ben treurig omdat ik geen vat heb op de onmacht die is, en de onmacht die nog komen zal.
Ik ben treurig omdat ik bang ben en die angst niet kan bezweren. Zelfs dit schrijven maakt me nerveus. Het zijn niet de gedachten en niet de jihadisten. Terreur hoeft niet exotisch te zijn. De leugen hangt in de lucht. Slag per slag hakt ze mijn weerbaarheid aan spaanders.
De angst vreet me langzaam op, als een vleesetende bacterie. Elke nieuwe aantasting doet meer pijn dan de vorige. Ik amputeer stukje voor stukje, probeer de infectie tegen te gaan, maar ik weet: ik ben beschadigd. Ik heb fantoompijn aan mijn naïviteit, waarvan ik niet weet of het ooit zal terug groeien.

5.
‘Ik ben lastig’, zei mijn dochter. ‘Mama, ben jij ook lastig?’
Zou ik bij wijze van algemeen protest net zoals zij dwars op de grond willen gaan liggen, zo rond spitsuur in een drukke supermarkt? Stil verzet. Wij zijn een plank. ‘Ja, mama is ook lastig.’
Lastig op de saboteurs, de nestbevuilers, de lelijkmakers.
Lastig omdat ik er niet in slaag mijn verfborstel in de pot liefde te doppen en de wereld in een uitbundiger kleur te schilderen.
Lastig uit onversneden onvermogen. En omdat het hoognodig lente moet worden.

Deze column verscheen op 3 februari 2015 op de opinie en blogpagina van deredactie.be