Dichteres Delphine Lecompte: ‘Alles exploiteer ik. Zelfs moordfantasieën’

Delphine Lecompte

Ze dicht om te overleven, want leven kan ze er amper van. Toch is Delphine Lecompte (°1978), kleindochter van de beroemde dokter, gelukkig in het bij momenten sinistere sprookje waar ze in woont. ‘Er zit veel woede in mij, maar door in mijn fantasie met mensen af te rekenen, hou ik het gezond.’

Sinds haar debuut als dichteres, nu bijna drie jaar geleden, is Delphine Lecompte incontournabel. Met de allereerste bundel, De dieren in mij, won ze de C. Buddingh’-prijs en de prijs Letterkunde van de provincie West-Vlaanderen. Er volgde een tweede boek, Verzonnen prooi, en begin dit jaar publiceerde ze haar derde, Blinde gedichten. Haar eerste ambitieuze, volwassen worp, volgens de achterflap. De literaire wereld en het poëzieminnende publiek dragen haar op handen.

Haar geheim? Ze maakt bezwerende poëzie, eigenlijk eerder korte verhalen vermomd als gedichten. Met absurde beelden en verhaallijnen neemt ze de lezer mee in een bevreemdende koortsdroom, om hem vervolgens met een nijdig rukje weer bij de realiteit te brengen. Lees haar en je weet: dit meisje is niet helemaal van deze wereld. Haar gedichten verraden waar ze dan wel vandaan komt. Uit de tijd dat de dieren nog spraken, dat kan niet anders. Er gaat een magische kracht uit van de profetische merels, de oude trouwe kruisboogschieter, de tirannieke moeder en de mannen met bijna uitgestorven beroepen als de touwslager, de imker en de ezeldrijver. Maar ze bestaan allemaal, zegt ze. Ze zijn even echt als de peperkoek die ze me aanbiedt.

Ik ga naar buiten / Met de peperkoek in de linkerhand en / De halve snoek in de rechter / Ik vind een begrafenisondernemer die naar peperkoek snakt / Hij rukt het blok uit mijn handen en rent weg / Als een achtjarig jongetje betrapt op de foltering van een pimpelmees / Ik verplaats de snoek van mijn rechterhand naar mijn linker / Maar niemand wil een halve snoek om in de voorraadkast te hangen (Uit: ‘Ik wil gelukkig blijven’)

De halve snoek staat inderdaad op de schoorsteenmantel. Ze had ook andere opgezette dieren. Een stel kaartende konijnen, bijvoorbeeld. Maar die zijn weg. ‘Ze zaten vol motten’, zegt ze. ‘Nu hou ik enkel nog opgezette zeevogels. En die vissenkop. Daar houden motten niet van.’

In Brugge is ze een zonderlinge jonge vrouw die ervoor kiest om karig te leven zolang ze maar kan dichten. Was ze bij een animistisch volk geboren, dan zou Delphine Lecompte wellicht een halve heilige zijn. Er is een reden waarom sjamanen verhalen in poëzievorm vertellen. Ze vangen op die manier de aandacht van de luisteraar, nemen hem op de cadans van de taal mee in een verhaal. Intussen verklaart hij op rituele wijze de wereld, bezweert hij demonen en slechte voortekenen. De sjamaan ziet wat anderen niet zien. ‘Dat magische denken, ik zit daar zo diep in’, beaamt ze. ‘Ik geloof ook echt dat ik de realiteit kan beïnvloeden door te schrijven, door dingen te herhalen.

‘Het is een vorm van escapisme. Ik kan gaan zitten en denken: ‘Nu ga ik mezelf genezen met een gedicht’. En dan schrijf ik de meest idiote nonsens over pratende dieren en profetische merels. Het is een kinderlijke uitlaatklep, maar ook een manier om structuur te geven aan mijn leven. In een cocon waar ik mijn eigen regels en rituelen hanteer, is het veilig. Hier word ik niet overprikkeld. En verder is mijn manier van leven een zachte weigering om me aan te passen. Ik laat mijn gekke hersenkronkels toe, ik buit het uit. Ik lieg over dingen die niet nodig zijn. Ze geven me geen onmiddellijk voordeel, ik doe het om te verzinnen, om het genot van het liegen zelf. Ik speld mensen graag iets op de mouw. Alles exploiteer ik. Zelfs moordfantasieën.’

Nog altijd ben ik even bang / Ik ben nog altijd even bang / In het spookkot, In het arbeidsbureau, In de slaapkamer van mijn moeder / Vooral wanneer ze in bed ligt zonder broek / Met een boek dat ik niet gelezen heb en / Uitgespuwde scampi’s in een kerstservet (Uit: ‘Je kunt geen leven lang op je tanden bijten’)

Hoe heerlijk moet het zijn om zo genadeloos te kunnen schrijven over je omgeving en toch geliefd te blijven. Delphine Lecompte: ‘Ze blijven niet van me houden, hoor. Mijn geliefde Omer, hij wel. Met hem mag ik spotten. Ik mag hem op duizend verschillende manieren afmaken, het doet hem niets. Hij weet dat ik hem doodgraag zie, dat mijn gedichten onschuldig en ongevaarlijk zijn, en dat ik er gelukkig van word. Maar mijn moeder heeft het er wel moeilijk mee. Soms herkent ze zich in een bepaalde strofe. In de volgende strofe maak ik haar belachelijk, of erger nog, verdrinkt ze. Ze probeert grootmoedig te zijn, geeft mijn bundels cadeau aan collega’s, maar prettig vindt ze het niet. Toch zal ik mezelf niet corrigeren tijdens het schrijven. Er zit veel woede in mij, maar door met mensen af te rekenen in mijn fantasie hou ik het gezond.’

Er zijn werelden waar men dit soort tegendraadsheid functioneel zou noemen. In het oude Griekenland kende men de rituele clown, de wijze zot die in een sterk repressieve cultuur bijtijds het deksel van de ketel haalde door taboes te doorbreken en het onzegbare te doen. De nar deed hetzelfde aan de middeleeuwse hoven. Hij ging in tegen bestaande structuren en heersende opvattingen zonder daarvoor gestraft te worden.

‘Ik voel me misschien nog het meest verwant met de profeet. Niet als ik schrijf, maar achteraf denk ik vaak: ‘Mijn gedicht is slimmer dan ik.’ Omdat het zo klopt. Als ik aan het schrijven ben, komt het er in gulpen uit. Dan ben ik in trance, moet ik me haasten om de associaties bij te houden. Een primitief en wild, maar ook zalig gevoel. Vaak zijn dat achteraf ook de beste gedichten en blijkt het geheel meer te kloppen dan ik had kunnen hopen. Het heeft iets magisch, hoe juist en wijs het er plots staat.’

Na het bezoek aan mijn vader drink ik bier / In de cafetaria van het gekkenhuis / Met de schilder van mijn mooie harige moeder / Hij heeft hier een tante op de afdeling psychotische kleptomanen (Uit: ‘Nu mijn vader eindelijk in het gekkenhuis is beland’)

Toen ze nog studeerde, verbleef ze een tijd in de psychiatrie. Ze koestert mooie herinneringen aan die periode. ‘Voor mij was dat als een kostschoolervaring. Ik ben enig kind, het was de eerste keer dat ik in groep leefde. In die periode was er een harde kern van mensen met wie ik fantastische tijden beleefde. Ons groepje bestond uit een paar hardnekkige oude alcoholisten, borderline jongeren en bipolaire hoeren. Het klikte. Ik heb daar veel vriendschap ervaren, een prachtig kerstfeest meegemaakt, en de millenniumwissel. Misschien dat we daarom nog zotter waren dan anders? We amuseerden ons, waren baldadig, stalen dossiers en smokkelden alcohol binnen. We maakten plannen om een pretpark te openen op een Indonesisch eiland. En we lachten de psychiaters uit omdat ze op het verkeerde spoor zaten.

Toen ze nog studeerde, verbleef ze een tijd in de psychiatrie. Ze koestert mooie herinneringen aan die periode. ‘Voor mij was dat als een kostschoolervaring. Ik ben enig kind, het was de eerste keer dat ik in groep leefde. In die periode was er een harde kern van mensen met wie ik fantastische tijden beleefde. Ons groepje bestond uit een paar hardnekkige oude alcoholisten, borderline jongeren en bipolaire hoeren. Het klikte. Ik heb daar veel vriendschap ervaren, een prachtig kerstfeest meegemaakt, en de millenniumwissel. Misschien dat we daarom nog zotter waren dan anders? (lacht) We amuseerden ons, waren baldadig, stalen dossiers en smokkelden alcohol binnen. We maakten plannen om een pretpark te openen op een Indonesisch eiland. En we lachten de psychiaters uit omdat ze op het verkeerde spoor zaten.

‘Bij momenten was het er ook heftig. Een junkie bedreigde me er ooit met bestek. En toch, tussen al die extremen voelde ik me huis. Het was zalig om geen verantwoordelijkheid te hebben, er werd voor me gezorgd. In de ergotherapie kon ik schilderen of schrijven, en wat ik maakte mocht krankzinnig zijn, want dat werd daar verwacht. Ik had toen nog niet de ambitie om met mijn creativiteit naar buiten te komen. Ik had net mijn eerste jaar vertaler-tolk Frans-Russisch achter de rug. Ik was ingeschreven in het tweede jaar, maar dat is er niet meer van gekomen.

‘Wat er mis was? Ik heb allerlei diagnoses ‘onder voorbehoud’ gehoord. Borderline, bipolair, schizofreen… Terwijl ik niets heb dat gecorrigeerd moet worden. Ik leed aan angststoornissen. Met de medicijnen die ik ervoor kreeg was ik blij, maar ik vond niet dat er onderzocht moest worden waar die angsten precies vandaan kwamen. Bovendien begon de psychiater, zodra hij begreep dat ik niet knettergek was, zijn problemen aan mij te vertellen, hoe hard en spartaans zijn opvoeding was geweest. Meer en meer veranderde hij in een verwend en ongelukkig jongetje. Hij had nood aan iemand om mee te praten, denk ik. (lacht)

‘De reden van mijn opname was stom. Ik had te veel gedronken, en mijn toenmalige vriendje wilde uitgaan en had me opgesloten. Ik kreeg een paniekaanval en ben ontsnapt via het dak. Op een of andere manier ben ik zonder kleerscheuren beneden geraakt. Hoe ik op de spoed ben beland, herinner ik me niet meer. Wel dat een vaderlijke arts me heeft kunnen kalmeren. ’s Nachts werd ik wakker op een tweepersoonskamer die ik deelde met een oudere dame. Ik stapte de gang op en daar zat in een lichtcirkel de nachtverpleegster, een lieve, engelachtige vrouw met blonde krullen. Ik was meteen verkocht. Ik voelde me daar zo gekoesterd dat ik er uiteindelijk anderhalf jaar ben gebleven.

‘Ik wil niet prat gaan op mijn gekke kanten. Mijn ouders en Omer verwijten me weleens dat ik trots lijk op mijn kleptomanie, pyromanie of wat dan ook. Maar het is meer dan lekker gek en een beetje excentriek zijn. Ik heb echt wel afgerekend met mijn demonen. Dat klinkt zwaar en dramatisch, maar zo is het nu eenmaal. Ik heb nu een manier gevonden om ermee om te gaan en ervoor te zorgen dat het niet meer zelfdestructief is, zoals vroeger wel het geval was. Ik vermijd bijvoorbeeld mensen die me zouden kunnen ontmoedigen. En een groot stuk verantwoordelijkheid geef ik uit handen. Bureaucratie, het huishouden, de boodschappen, ik laat het allemaal over aan Omer. Dan is het gemakkelijk om geestig en vrolijk en anarchistisch te zijn. Anderzijds betekent het dat ik in een klein huisje moet wonen, dat ik niet materialistisch leef, me niet kan omringen met bezittingen.’

De oude kruisboogschieter vraagt: ‘Wil je naar de kermis?’ / Ik antwoord: ‘Nee!’ / Ook al wil ik zo graag / Nog liever wil ik tegendraads zijn (Uit: ‘Niemand wil zichzelf zijn in het spiegelpaleis’)

De pokdalige schilder, de sponzenverkoper, de touwslager, de ezeldrijver, Fons de windhondenfokker, de messenwerper, een verdronken imker, de Cobraschilder. In de gedichten van Delphine Lecompte wonen schimmige figuren die verzonnen lijken. De oude kruisboogschieter is hun mythische aanvoerder.

Delphine Lecompte: ‘Ze zijn allemaal echt. Omer, mijn lief, is 78 jaar, en letterlijk een oude kruisboogschieter. Elke dinsdag gaat hij naar de Sint-Jorisgilde, zijn mannenclubje, om te kruisboogschieten. Natuurlijk moet ik daardoor denken aan het verhaal van Sint-Joris die de draak verslaat. Dat mythische is een bron van inspiratie. Ik pluk mijn personages uit het dagelijkse leven. Op de markt in De Panne was er een enthousiaste verkoper van sponzen. En Omer vertelde me ooit over een oude buurman die katten haatte en ze stukjes spons met paté voerde. Als je aan touw denkt, denk je toch ook aan iemand wurgen? Of aan koorddansen? Mijn personages hebben altijd dat sinistere kantje, hun beroepen zijn symbolisch.

‘Ik heb altijd een voorliefde gehad voor sprookjes, Griekse mythes en sagen, zelfs het Oude Testament. Ik hou van elementen als wraak, of een duidelijke booswicht. Van horror. In mijn werk zit dat sinistere ook. Er ligt altijd iets onheilspellends op de loer. Het huis van mijn grootouders in De Panne, bij wie ik ben opgegroeid, had ook iets lugubers. Ik bedoel de heksachtige grootmoeder en de onbekende grootvader, niet de grootvader dokter Lecompte.

‘Het was een alleenstaand wit huis op een heuvel, met uitzicht op de duinen. Het had veel kleine kamers waarvan de deur op slot was, veel kasten, een krakende trap en donkere hoeken waar je van alles kon zoeken en vinden. Mijn grootmoeder benadrukte dat ook, hoe eng het er was. Ze vroeg me altijd of ik niet bang was als ik alleen op mijn kamer was, wees me op de schaduw van de takken op de muren. Je kon er niet anders dan griezelen.

‘Mijn ouders hebben me gekregen toen ze nog erg jong waren. Ze waren gescheiden en voor me zorgen was moeilijk voor hen. Ze verwijten zichzelf dat het zo is gelopen, beelden zich in dat ik hen dat ook verwijt. Niets is minder waar. Voor eens en altijd: mama, papa, ik neem jullie niets kwalijk. Ik heb een zalige kindertijd gehad. Mijn nichtje woonde in de buurt, ik had een hond. Het strand en de duinen waren onze speeltuin. Met de zoon van de ezeldrijver haalden we kattenkwaad uit: volwassenen pesten, belletje-trek doen, vuurtjes stoken…

‘Toch zijn daar nooit ongelukken van gekomen. Eén keer bijna. Met mijn vriendin beraamde ik ooit een moordplan op haar jongere broer. Wij waren acht, hij was zes. Het was overduidelijk dat de ouders van mijn vriendin haar kleine broer bevoordeelden. Hij werd verwend, maar tegen mijn vriendin deed haar moeder diabolisch. Ik vond dat zo onrechtvaardig, dat moest worden rechtgezet. De enige mogelijke oplossing bleek Benjamin te vergiftigen. Ik herinner me nog goed dat we op de ochtend van de moordaanslag in zijn kamer stonden, en ik tegen Eva zei: ‘Vanavond is dat hier allemaal van jou!’ Ik was zo gelukkig voor haar. We hebben toen geprobeerd om pillen uit het medicijnkastje in Benjamin te proppen. Ik was er zo van overtuigd dat ik het goede deed. Maar hij spuwde ze weer uit en alles bleef bij het oude. Gelukkig maar. (zwijgt even) Kinderen kunnen soms kleine psychopaten zijn.’

Mijn grootvader de onverzadigbare sater betaalt / De anemische eigenaar van de paardenmolen / Ik zit op een witte merrie en weet dat ik onbevallig ben / Na 632 rondjes ken ik de reclameborden en de pedofielen van buiten / Mijn maag gromt en eerst denk ik dat het termieten zijn / Maar de anemische eigenaar verzekert mij dat de merrie hol is (Uit: ‘De arrogante kubist en een onzelfzuchtige sponzenverkoper’)

‘Ik geloof dat ik erfelijk belast ben, ja. Mijn vader zegt dat ik op dezelfde manier brieven schrijf als dokter Lecompte. Terwijl ik die man nauwelijks heb gekend. Blijkbaar is het frappant hoe ik dezelfde vorm van humor hanteer, of schrap en onderstreep zoals hij deed. Maar ook met mijn overgrootvader van moederszijde heb ik blijkbaar iets gemeen. Toevallig heette die man ook Omer, en zijn grootste angst was dat hij zou stikken in zijn eten. Hij at papjes en andere zaken die gemakkelijk waren, en at altijd apart. Ik heb diezelfde irrationele angst. Ik zal geen radijzen of granny smiths eten. Toch heb die man nooit gekend. Nature, nurture? Ik ben er zeker van dat bepaalde eigenschappen aangeboren zijn. En dat is een hele geruststelling. Ik kan er ook niets aan doen dat ik zo geprogrammeerd ben.

‘Volgens Freud word je verliefd op je eerste vaderfiguur. Ik was erg verknocht aan mijn grootvader. Hij was een volkse, maar ook intellectuele man. Hij was de eerste uit een arbeidersgezin die had kunnen studeren. In moeilijke omstandigheden schopte hij het tot rechter. Hij was geïnteresseerd in alles, van Afrikaanse kunst tot film. Maar hij werkte ook graag met zijn handen. Dan kocht hij een eend of een konijn, en vilde die zelf. Hij was de stoere macho die daarvan genoot. Mijn grootvader was een vrouwenzot, licht seksistisch, maar ook hoffelijk, sociaal en genereus. Hij zorgde graag voor kwetsbare vrouwtjes. In de bres springen voor een vrouw, dat hoorde zo. Hij at veel, dronk veel. Hij schreef ook. Hij was nuttig en rechtvaardig. Hij was de perfecte man. Ik idealiseer hem nu, maar toch, hij was allerlei soorten mensen in één man. Hij deed complexloos zijn zin en vertegenwoordigt alle personages waar ik over schrijf. En die ik ook een beetje wil zijn.’

Blinde gedichten van Delphine Lecompte werd uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen.

Dit artikel verscheen in De Morgen van 24 november 2012.